De maatschappelijke spanningen in Suriname lopen zichtbaar op nu meerdere vakbonden openlijk aangeven dat straatacties niet langer zijn uitgesloten. Wat daarbij opvalt, is dat deze onvrede zich niet beperkt tot één sector, maar breed wordt gedragen door werknemers in het onderwijs en de publieke sector. Daarmee komt de druk steeds nadrukkelijker te liggen bij het leiderschap van president Jennifer Geerlings-Simons.
Onder de bonden die hun zorgen kenbaar maken, bevinden zich onder meer het Syndicaat voor de Leerkrachten, de Confederatie van Organisaties van Landsdienaren (COL) en vakorganisaties binnen het technisch en hoger onderwijs. Zij vertegenwoordigen grote groepen werknemers die dagelijks de ruggengraat vormen van de samenleving.
De Confederatie van Organisaties van Landsdienaren (COL), onder voorzitterschap van Hugo Blanker, heeft de regering na de machtsovername bewust een periode van zes maanden gegund om zich in te werken in de maatschappelijke en bestuurlijke vraagstukken van het land. Volgens Blanker loopt deze termijn inmiddels af en verwacht de vakcentrale nu zichtbare resultaten. Het uitblijven daarvan voedt de frustratie onder ambtenaren en versterkt het gevoel dat signalen vanuit het werkveld onvoldoende worden omgezet in concreet beleid.
Ook binnen het onderwijs klinkt een duidelijke waarschuwing. De Bond van Leraren bij het Technisch Onderwijs (BLTO) heeft zijn Eisenplan 2026 formeel aangeboden aan minister Dirk Currie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur. In dit plan waarschuwt de bond voor een ernstige en structurele crisis binnen het beroepsonderwijs. Volgens de BLTO dreigt verdere achteruitgang door aanhoudende onzekerheid, uitblijvende investeringen en een gebrek aan perspectief voor docenten. De bond heeft daarbij een ultimatum gesteld: uiterlijk 12 januari wordt een inhoudelijke reactie van de minister verwacht.
Dat meerdere bonden, uit verschillende sectoren, gelijktijdig aan de bel trekken, is geen toeval. Het wijst op een groeiende kloof tussen bestuur en werkvloer. Gesprekken vinden wel plaats, maar leiden volgens de bonden te weinig tot concrete besluiten en merkbare verbeteringen. Hierdoor ontstaat het beeld dat overleg wordt gevoerd zonder daadwerkelijke opvolging, terwijl problemen zich blijven opstapelen.
In deze context rust de politieke en bestuurlijke eindverantwoordelijkheid bij president Simons. Straatacties worden traditioneel pas overwogen wanneer alle andere middelen zijn uitgeput. Dat dit scenario nu al, binnen zes maanden na haar aantreden, openlijk wordt genoemd, is een ernstig signaal. Het toont aan dat onder haar leiderschap de spanningen sneller escaleren dan verwacht en dat het vertrouwen in de slagkracht van de regering onder druk staat. Als deze signalen niet tijdig worden omgezet in duidelijke besluiten en tastbare resultaten, dreigt maatschappelijke onrust zich verder te verdiepen, met gevolgen die niet meer eenvoudig te beheersen zullen zijn.
Stanley Strijder










