Assembleelid Ameerani Jarbandhan heeft de president van Suriname, via de voorzitter van De Nationale Assemblée, vragen gesteld over de onmiddellijke stopzetting van de uitvoering van het Staatsbesluit Grondconversie van 31 oktober 2023 (Staatsblad no. 159). Jarbandhan beroept zich daarbij op artikel 86 van het Reglement van Orde.
Volgens Jarbandhan is grondconversie gebaseerd op wetgeving rond de uitgifte van domeingrond en is de minister belast met het grondbeleid, met toestemming van de regering, bevoegd om de blote eigendom van domeingrond over te dragen aan de gerechtigde. Zij stelt dat tot en met 9 juli 2025 in totaal 15.794 aanvragen voor grondconversie zijn goedgekeurd en afgehandeld en dat de overheid daarmee SRD 659,5 miljoen aan inkomsten zou hebben ontvangen voor de staatskas.
Jarbandhan stelt verder dat de minister van Grondbeleid en Bosbeheer (GBB) op 9 augustus 2025, in opdracht van de president, de verdere uitvoering van het staatsbesluit heeft stopgezet. Volgens haar heeft dit geleid tot financiële benadeling bij aanvragers en tot onzekerheid bij betrokkenen.
In haar vraagstelling vraagt Jarbandhan de president onder meer of hij het met haar eens is dat de onmiddellijke stopzetting in strijd kan zijn met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en de motiverings- en zorgvuldigheidsbeginselen. Ook vraagt zij of de president erkent dat deze beginselen moeten bijdragen aan bescherming van burgerrechten en het voorkomen van willekeur en machtsmisbruik.
Daarnaast noemt Jarbandhan de stopzetting “discriminatoir” tegenover burgers die, naar haar zeggen, op basis van de geldende wetgeving correct aanvragen hebben ingediend en daarbij hoge kosten hebben gemaakt. Zij vraagt de president om toelichting op de redenen voor het stopzetten van de inkomsten uit grondconversie en wil weten waarom de regering volgens haar kiest voor het aangaan van leningen tegen hoge rentes om tekorten te dekken.
Tot slot koppelt Jarbandhan de kwestie aan de bredere financiële situatie in het land. Zij vraagt de president of hij bekend is met signalen dat leerlingen op scholen gevraagd worden toiletpapier van huis mee te nemen of ervoor te betalen, en welke maatregelen hij overweegt “in verband met het bovenstaande”.













