In Suriname groeit een ongemakkelijke waarheid uit tot een pijnlijke realiteit: kinderbescherming bestaat op papier, maar faalt vaak in de praktijk. Wederom is er een geval van verwaarlozing.
Vijf minderjarige kinderen – van een baby van zeven maanden tot een kind van vijf jaar – leven opnieuw in omstandigheden die ieder beschaafd rechtssysteem als ernstig onveilig zou moeten bestempelen. Niet omdat niemand het wist, maar juist omdat bevoegde instanties het wisten.
Deze kinderen zijn eerder uit huis geplaatst. Dat feit is cruciaal. Een uithuisplaatsing is geen administratieve formaliteit, maar een juridisch zwaar middel dat alleen wordt ingezet wanneer is vastgesteld dat ouders niet in staat zijn de veiligheid van hun kinderen te garanderen. De risico’s waren bekend. De noodzaak tot bescherming ook. En toch werden deze kinderen na slechts 2 maanden teruggeplaatst.
Alsof structurele verwaarlozing kan worden opgelost met een opgeruimde woning en een korte beoordeling.
Schijnveiligheid als beleid
De terugplaatsing was gebaseerd op een momentopname.
Maar kinderbescherming is geen checklist. Veiligheid vraagt om duurzame verandering, voortdurende begeleiding en structureel toezicht. Wat hier gebeurde, was geen incident of vergissing, maar een dieperliggend probleem: schijnveiligheid werd gelijkgesteld aan daadwerkelijke bescherming.
De feiten liegen niet.
Kinderen die hun behoefte buiten doen. Geen sanitaire voorzieningen.
Vervuilde matrassen. Vuile kleding.
Een baby die wordt gevoed met een fles die op een vieze vloer ligt.
Een vijfjarig kind dat zorgtaken verricht voor een baby.
Kinderen die sigaretten roken die zij van hun ouders pakken.
Dit zijn geen uitzonderingen of losse voorvallen. Dit is ernstige, herhaalde verwaarlozing.
Staatsverantwoordelijkheid en systeemfalen
Suriname ratificeerde in 1993 het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Daarmee verplichtte de Staat zich om kinderen te beschermen tegen verwaarlozing en in te grijpen wanneer ouders daarin falen.
Juist na een eerdere uithuisplaatsing rust er een verzwaarde zorg- en toezichtplicht op de overheid.
Wat we hier zien, is dat die plicht onvoldoende is nagekomen.
Tegelijkertijd moeten we eerlijk zijn: de overheid kan dit niet alleen.
Dat is geen mening, maar een vaststelling op basis van de feiten.
Gebrek aan capaciteit, middelen en noodvoorzieningen mag echter nooit betekenen dat kinderen onbeschermd blijven.
Wanneer systemen tekortschieten, is samenwerking geen luxe, maar een noodzaak.
Dit gaat niet om één zaak
Deze specifieke situatie wordt benoemd omdat zij zichtbaar, gedocumenteerd en urgent is. Maar zij staat niet op zichzelf.
Dit is een symptoom van falend beleid, niet een incident. Daarom zal deze zaak blijvend worden aangekaart, en niet alleen deze. Er zal structureel aandacht worden gevraagd voor beter kinderbeschermingsbeleid, effectieve crisisinterventie en daadwerkelijke nazorg.
In crisissituaties is afwachten geen beleid. Crisis vraagt om crisisinterventie. Wanneer de veiligheid van kinderen niet onmiddellijk kan worden gegarandeerd, is directe uithuisplaatsing noodzakelijk, ook als dat vraagt om tijdelijke noodoplossingen, creativiteit en samenwerking buiten de bestaande structuren.
Oproep tot debat én samenwerking
Dit opiniestuk is een oproep tot publiek debat. Hoeveel signalen zijn nodig voordat bescherming daadwerkelijk bescherming wordt? Hoe lang accepteren we dat kinderen tussen systemen in vallen?
Het is óók een oproep aan bedrijven, maatschappelijke organisaties en betrokken burgers om samen met de overheid te werken aan oplossingen.
Denk aan het opzetten van nood- en crisisopvang voor kinderen, tijdelijke voorzieningen wanneer reguliere opvang tekortschiet, en structurele ondersteuning van gezinnen onder toezicht.
Iemand moet verantwoordelijkheid nemen. En die verantwoordelijkheid ligt niet alleen bij één instantie, maar bij ons allemaal.
Want kinderen krijgen geen tweede jeugd.
Een falend toezicht laat littekens achter die een leven lang meegaan.









