Het nieuws dat er middelen beschikbaar zijn voor de renovatie van het Torengebouw is zonder twijfel positief. Het laat zien dat er eindelijk wordt geïnvesteerd in het behoud van ons historisch erfgoed en de opwaardering van de binnenstad. Maar dit soort berichten zouden ons ook tot nadenken moeten stemmen. Want de kern van het probleem ligt niet alleen in renovatie, maar vooral in wat daarna gebeurt: onderhoud.
Te vaak zien we in Suriname dat gebouwen — of het nu gaat om scholen, ministeries of andere overheidskantoren — na oplevering langzaam maar zeker weer in verval raken. Denk aan het oude pand van het ministerie van Onderwijs of dat van Volksgezondheid. Ooit functionele gebouwen, nu stille getuigen van jarenlange verwaarlozing. Niet omdat herstel onmogelijk was, maar omdat structureel onderhoud simpelweg ontbrak.
Dit is geen kwestie van eenmalig falen, maar van gedrag. Zowel van de overheid als van ons als burgers. Onderhoud wordt nog te vaak gezien als een kostenpost die kan worden uitgesteld, in plaats van een investering die grotere schade voorkomt. We grijpen pas in wanneer de situatie kritiek is en de kosten vele malen hoger zijn dan wanneer er tijdig was gehandeld.
Het is daarom goed dat er nu wordt gewerkt aan herstel en renovatie. Maar zonder een duidelijk en afdwingbaar onderhoudsplan, zonder toezicht en zonder een cultuurverandering, dreigen we dezelfde fouten te herhalen. Dan staan deze gebouwen er over tien jaar opnieuw verwaarloosd bij — en begint de cyclus weer van voren af aan.
Duurzame ontwikkeling gaat niet alleen over bouwen en herstellen, maar over zorgdragen voor wat we hebben. Dat vraagt om discipline, planning en verantwoordelijkheid. Van beleidsmakers die onderhoud structureel moeten verankeren in begrotingen en beleid, maar ook van burgers die zorgvuldiger omgaan met publieke voorzieningen.
Renoveren is zichtbaar en levert applaus op. Onderhouden is minder zichtbaar, maar minstens zo belangrijk. Misschien is het tijd dat we juist daar onze prioriteit leggen.
