NDP-parlementariër Ann Sadi plaatst vraagtekens bij toetreding van Suriname tot het Caribbean Court of Justice (CCJ) als derde rechtsinstantie. Volgens haar dreigt cassatie dan onbereikbaar te worden voor de doorsnee burger door hoge kosten en drempels.
Sadi uitte haar standpunt vrijdag in De Nationale Assemblee (DNA) tijdens de behandeling van initiatiefwetten en grondwetswijzigingen die gericht zijn op de modernisering van de rechterlijke macht.
Zij vroeg zich af of aansluiting bij het CCJ in de praktijk niet zal neerkomen op een systeem dat vooral toegankelijk is voor welgestelde burgers. De route naar het CCJ zou volgens haar voor de meeste Surinamers “niet haalbaar” zijn, met name wanneer kosten en procedures worden meegewogen.
Tegenover die visie staat het standpunt van de Vooruitstrevende Hervormings Partij (VHP), die juist kiest voor aansluiting bij het CCJ en daarbij wijst op de aanwezigheid van ervaren rechters, moderne procedures en een stevige institutionele basis. Sadi gaf aan dat zij toetreding zal afwijzen als het parlement daarvoor kiest en pleitte in plaats daarvan voor een nationale instantie voor cassatierechtspraak.
Rapport nuanceert kostenbezwaren
Opvallend is dat het Eindrapport Congres Modernisering Rechterlijke Macht de zorgen over toegankelijkheid gedeeltelijk weerspreekt. In het rapport staat onder meer dat strafzaken kosteloos zijn en dat bij aantoonbaar onvermogen vrijstelling mogelijk is. Voor civiele zaken wordt melding gemaakt van gedifferentieerde indieningskosten, variërend van USD 250 tot USD 1.200.
Vergelijking van structurele kosten
Het rapport stelt verder dat het CCJ werkt via een trust-structuur en na eenmalige inrichtingskosten geen jaarlijkse contributies vraagt. Daartegenover zou het opzetten van een eigen Surinaamse Hoge Raad juist gepaard gaan met zowel hoge opstartkosten als structurele, terugkerende maandelijkse kosten.











