Stichting Mulokot meldt in een nieuw bodemrapport dat op meerdere goudmijnlocaties in het Lawa-gebied nauwelijks tot geen meetbaar DNA van schimmels en bacteriën is gevonden. Volgens de onderzoekers wijst dat op een ‘biologisch dode’ bodem, met risico’s voor natuurherstel en voedselzekerheid.
Volgens een persbericht van Stichting Mulokot is bij onderzoek in het Lawa-gebied vastgesteld dat de bodem op meerdere plekken die door goudwinning zijn aangetast, ernstig is gedegradeerd en in sommige gevallen “biologisch dood” is. Het onderzoek werd in december 2025 uitgevoerd door Mulokot in samenwerking met biotechnologiebedrijf Soilytix.
Managing director Andre Verhoogt omschrijft het verschil tussen intact bos en goudmijngebied als scherp: waar bosgrond “vol leven” zit, voelt de bodem in goudmijnzones volgens hem “als stof”. De conclusie van het rapport is dat de schade niet alleen zichtbaar is aan het oppervlak, maar juist ook onder de grond plaatsvindt, in het microleven dat de basis vormt voor gezonde vegetatie en ecosystemen.
Mulokot en Soilytix maakten in het onderzoek gebruik van eDNA-monsters (environmental DNA) om te meten welke organismen in de bodem aanwezig zijn. In intact bosgebied worden volgens het rapport ongeveer 550 unieke schimmelsoorten aangetroffen. In gebieden die door goudwinning zijn verstoord, viel dat beeld volgens de onderzoekers vrijwel volledig weg.
Wat in de bodem verdwijnt, blijft vaak onzichtbaar
De kern van het probleem is volgens de onderzoekers het verlies van het bodem-microbioom: micro-organismen, schimmels en bacteriën die zorgen voor bodemvruchtbaarheid, afbraak van organisch materiaal en het functioneren van het regenwoud. Juist dat onzichtbare netwerk maakt hergroei en herstel mogelijk nadat een bos is aangetast.
In de goudmijnzones is die basislaag volgens de meetresultaten op meerdere plekken vrijwel afwezig. Drie van de vijf eDNA-monsters die bij goudmijnen werden genomen, bevatten volgens het persbericht “vrijwel geen meetbaar DNA”. Op twee locaties werd zelfs helemaal geen meetbaar DNA gevonden. Mulokot concludeert daaruit dat er op die plekken geen sporen van schimmels, bacteriën of ander ondergronds leven zijn teruggevonden.
Oorzaken: zware ingrepen en chemische vervuiling
De oorzaken van bodemschade in goudmijngebieden zijn volgens Mulokot bekend, maar de impact blijkt volgens het rapport ernstiger dan vaak wordt aangenomen. Erosie, het opzuigen en verplaatsen van rivierbodems met zware machines en het gebruik van stoffen als kwik en cyanide laten niet alleen kraters, modderstromen en kale vlaktes achter, maar tasten ook de biologische functies van de bodem aan.
Wanneer het bodemleven verdwijnt, wordt herstel van vegetatie lastig: zaden kiemen minder goed, planten wortelen moeilijker en het ecosysteem mist de natuurlijke ‘motor’ die nutriëntenkringlopen op gang houdt. Mulokot stelt dat dit betekent dat herbeplanting alleen niet voldoende is als de bodem zijn basisfuncties heeft verloren.
Gevolgen voor Wayana: leefgebied en voedselzekerheid onder druk
Het Lawa-gebied is ook het leefgebied van de Wayana. In het persbericht wordt benadrukt dat de gevolgen van goudwinning niet alleen ecologisch zijn, maar ook direct sociaal en cultureel doorwerken. De Wayana zijn voor hun levensonderhoud afhankelijk van kostgrondjes en vis uit de rivier.
Mulokot wijst erop dat de rivier al langer wordt genoemd als probleemgebied door vervuiling vanuit goudwinning, onder meer door kwik in het water en in vis. De nieuwe bevindingen voegen daar volgens de stichting een extra laag aan toe: niet alleen het water, maar ook de bodem zelf kan op sommige plekken zodanig zijn aangetast dat landbouw en natuurlijke hergroei sterk worden belemmerd. Als gewassen moeilijker groeien en visconsumptie gezondheidsrisico’s met zich meebrengt, komt de voedselzekerheid van de gemeenschap in het geding.
Herstel mogelijk, maar traag en onzeker
Volgens het rapport kan het “tientallen jaren” duren voordat aangetaste gebieden weer elementaire biologische functies vertonen. Ook dan is het volgens Mulokot onzeker of de biodiversiteit terugkeert naar het niveau van het oorspronkelijke regenwoud. De stichting benadrukt daarmee dat herstel tijd vraagt en dat preventie en beperking van schade cruciaal blijven.
Mulokot en Soilytix willen het project daarom uitbreiden met een tweede fase. In die vervolgfase willen zij volgens het persbericht honderd nieuwe monsters analyseren: vijftig uit goudmijngebieden en vijftig uit onaangetast bos. Het doel is om ruimtelijk beter in kaart te brengen waar de zwaarste schade zit en waar herstelpotentieel aanwezig is.
Vervolgonderzoek: kaart van besmetting en herstelpotentieel
Een belangrijk onderdeel van de beoogde vervolgfase is het opstellen van een ruimtelijke kaart die inzicht moet geven in de mate van aantasting en de mogelijkheden voor herstel. Daarmee willen de onderzoekers niet alleen de omvang van de schade beter onderbouwen, maar ook gerichter kunnen adviseren over herstelmaatregelen en prioriteiten.
Daarnaast verkent het project volgens het persbericht opties voor fytoremediatie: het inzetten van specifieke planten die zware metalen uit de bodem kunnen opnemen. In combinatie met agroforestry (productieve beplanting in combinatie met bosherstel) zou dat volgens de initiatiefnemers kunnen bijdragen aan langzaam, maar doelgericht herstel.
“De grond heeft een stem nodig”
Mulokot stelt dat het onderzoek vooral laat zien dat de grootste schade van goudwinning niet altijd zichtbaar is aan de oppervlakte. De stichting noemt het bodemverlies een “stille ramp”, omdat het ecosysteemfundament verdwijnt zonder dat dit meteen te zien is in het landschap.
Het persbericht eindigt met een bredere vraag aan de sector en beleidsmakers: niet alleen hoe winstgevend goudwinning is, maar wat de maatschappelijke en ecologische kosten zijn wanneer het fundament van het ecosysteem verdwijnt.










