De Caribbean Court of Justice (CCJ) heeft de uitleveringsprocedure tegen de Guyanese oppositieleider Azruddin Mohamed en zijn vader Nazar Mohamed voorlopig stilgelegd. Het hof nam die beslissing op woensdag 25 maart 2026 tijdens een zogeheten case management conference, een procedurele zitting waarin vooral de spoed en verdere behandeling van de zaak centraal stonden.
De Verenigde Staten hadden Guyana op 30 oktober 2025 formeel verzocht om beide mannen uit te leveren. Volgens de Amerikaanse aanklagers moeten Nazar en Azruddin Mohamed in Florida terechtstaan in een strafzaak met elf aanklachten, waaronder samenzwering, post- en elektronische fraude en witwassen. De zaak houdt verband met beschuldigingen rond goudexporten vanuit Guyana, waarbij volgens de Amerikanen belastingen en royalty’s zouden zijn ontdoken en ambtenaren zouden zijn omgekocht. De Mohameds ontkennen schuld.
Na ontvangst van het uitleveringsverzoek gaf de Guyanese minister van Binnenlandse Zaken toestemming om de procedure op te starten op basis van de Fugitive Offenders Act, de wet die in Guyana uitleveringszaken regelt. Vervolgens vaardigde magistraat Judy Latchman op 31 oktober 2025 arrestatiebevelen uit, waarmee de formele uitleveringsprocedure begon.
De Mohameds stapten in december 2025 naar de rechter om die gang van zaken aan te vechten. Zij stelden onder meer dat de toestemming om de uitlevering door te zetten ongeldig was en vroegen de rechter om het proces te stoppen. Zowel het High Court op 4 februari 2026 als het Court of Appeal op 17 maart 2026 wees dat verzoek af. Daarna trokken zij naar de CCJ, die in Guyana fungeert als hoogste beroepsrechter.
De beslissing van de CCJ is nog geen uitspraak over schuld of onschuld, en ook betekent dat niet dat de uitlevering definitief van tafel is. De rechtbank heeft alleen een stay verleend: een tijdelijke stop op de lopende procedure, totdat zij beslist of de zaak inhoudelijk verder mag worden behandeld via een verzoek om special leave, oftewel bijzondere toestemming om in beroep te gaan.
De achtergrond van deze zaak is politiek en juridisch gevoelig in Guyana. Azruddin Mohamed is niet alleen zakenman, maar werd in januari 2026 formeel uitgeroepen tot leider van de oppositie. Dat maakt de zaak extra beladen, omdat een mogelijk uitleveringsproces nu rechtstreeks raakt aan een van de belangrijkste oppositiefiguren in het buurland. Reuters meldde eerder dat zijn partij WIN bij de verkiezingen van 2025 bijna een kwart van de parlementszetels behaalde.
De juridische problemen van de familie Mohamed spelen al langer. De Amerikaanse overheid legde in juni 2024 sancties op aan Nazar Mohamed, Azruddin Mohamed en aan hen gelieerde bedrijven. Volgens het Amerikaanse ministerie van Financiën hield dat verband met beschuldigingen van corruptie, waaronder fraude ten nadele van de Guyanese staat en het ondersteunen van omkoping in de goudsector.
De CCJ heeft intussen bepaald dat de Guyanese autoriteiten uiterlijk 2 april 2026 hun verweer moeten indienen. Schriftelijke argumenten over het verzoek om special leave moeten uiterlijk 10 april worden overgelegd, met repliek uiterlijk 15 april. De zitting over dat verzoek staat gepland voor 21 april 2026 via videoverbinding. Totdat de CCJ daarover beslist, ligt de uitleveringszaak stil.

