De voorzitter van Stichting Wan Okasi, die zich inzet voor mensen met een visuele en lichamelijke beperking, heeft een open brief gericht aan de regering en De Nationale Assemblee. Daarin bespreekt de voorzitter, Aniel Koendjbiharie, de structurele kloof tussen de armoedegrens en de uitkering voor personen met een beperking
Lees hier onder zijn open brief:
Aan: De Regering van de Republiek Suriname
Aan: De Nationale Assemblee van de Republiek Suriname
Betreft: De structurele kloof tussen de armoedegrens en de uitkering voor personen met een beperking
Geachte regering, geachte leden van de Nationale Assemblee,
Namens Stichting Wan Okasi richt ik mij tot u met een dringende en principiële kwestie betreffende de positie van personen met een beperking in Suriname.
De armoedegrens in Suriname is vastgesteld op ongeveer SRD 17.000 per maand voor een gezin van vier personen en ongeveer SRD 7.800 voor een alleenstaande. Deze vaststelling is gebaseerd op berekeningen van het Algemeen Bureau voor de Statistiek en omvat kosten voor voeding, huisvesting, transport, kleding, nutsvoorzieningen en andere basisbehoeften.
De staat heeft daarmee zelf erkend welk bedrag minimaal noodzakelijk is om menswaardig te kunnen leven.
Tegen deze vastgestelde realiteit staat de inkomenspositie van personen met een beperking. Zij ontvangen een maandelijkse uitkering van SRD 2.750 en een koopkrachtversterking van SRD 1.800, samen goed voor SRD 4.550 per maand.
Dit bedrag ligt aanzienlijk onder de vastgestelde armoedegrens voor een alleenstaande.
Daarmee ontstaat een structurele situatie waarin een volledige doelgroep van burgers bewust of onbewust onder het bestaansminimum wordt gehouden. Dit is geen tijdelijke afwijking. Dit is een beleidsstructuur die jaarlijks wordt voortgezet zonder dat de kloof wordt gedicht.
Daarnaast moet nadrukkelijk worden vastgesteld dat personen met een beperking vaak extra kosten dragen die niet zijn opgenomen in de algemene armoedeberekening.
Denk aan medische zorg, hulpmiddelen, therapie, persoonlijke assistentie en aangepast vervoer. Deze bijkomende lasten verhogen hun noodzakelijke uitgaven substantieel.
De situatie wordt nog problematischer wanneer men kijkt naar de verantwoordelijkheid van de staat om participatie mogelijk te maken.
Dezelfde overheid die de uitkering laag houdt, investeert onvoldoende in betaalbaar zorgvervoer en in toegankelijke infrastructuur. Wegen, openbare gebouwen, scholen, werkplekken en transportvoorzieningen zijn nog steeds onvoldoende toegankelijk ingericht.
Dit belemmert personen met een beperking om arbeid te verrichten of economisch actief te zijn.
Hier ontstaat een dubbele uitsluiting:
1. Het inkomen is onvoldoende om een menswaardig bestaan te garanderen.
2. De omgeving is niet voldoende toegankelijk om economische zelfstandigheid mogelijk te maken.
Deze combinatie vergroot afhankelijkheid en bestendigt armoede in plaats van deze te verminderen.
Vanuit juridisch perspectief moet deze situatie worden beoordeeld in het licht van internationale verplichtingen die Suriname heeft onderschreven, in het bijzonder het VN-Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (CRPD).
Dit verdrag verplicht staten om gelijke participatie te waarborgen, discriminatie tegen te gaan, redelijke aanpassingen te realiseren en sociale bescherming te garanderen. Wanneer een staat structureel nalaat om inkomensondersteuning af te stemmen op het vastgestelde bestaansminimum en tegelijkertijd de noodzakelijke randvoorwaarden voor participatie niet creëert, kan dit worden beschouwd als een tekortkoming in de implementatie van verdragsverplichtingen.
De kernvraag is daarom:
Kan een beleid dat een doelgroep systematisch onder de armoedegrens laat leven, terwijl diezelfde staat het minimum bestaansniveau heeft vastgelegd, nog worden gezien als effectieve sociale bescherming?
Wij stellen dat dit een beleidsprobleem is dat directe correctie vereist.
Stichting Wan Okasi roept de regering en de Nationale Assemblee op om:
1. De uitkering voor personen met een beperking structureel te herzien en deze minimaal te koppelen aan de nationale armoedegrens.
2. Een formeel mechanisme in te voeren dat de extra kosten van leven met een beperking erkent en compenseert.
3. Budgettaire prioriteit te geven aan betaalbaar zorgvervoer als onderdeel van sociaal beleid.
4. Versnelde implementatie van toegankelijke infrastructuur wettelijk te verankeren en daadwerkelijk te handhaven.
5. Een nationaal actieplan te ontwikkelen voor volledige implementatie van het VN-Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap, met meetbare doelen en jaarlijkse rapportage aan het parlement.
Dit is geen verzoek gebaseerd op liefdadigheid, maar op grondrechten en gelijkheid voor de wet.
Indien deze structurele ongelijkheid niet wordt aangepakt, dan blijft de conclusie dat een kwetsbare groep burgers feitelijk onder een door de staat erkend bestaansminimum wordt gehouden. Dat ondermijnt het principe van gelijke behandeling en sociale rechtvaardigheid.
Wij verwachten concrete beleidsactie en geen uitstel.
Hoogachtend,
Aniel Koendjbiharie
Voorzitter
Stichting Wan Okasi