De betrouwbaarheid van digitaal bewijsmateriaal moet voldoende worden gewaarborgd voordat de opsporingsdiensten ruimere bevoegdheden krijgen om gegevens uit mobiele telefoons, computers en andere digitale systemen te onderzoeken.
In zijn parlementaire betoog van 16 oktober 2026 benadrukt Lalmahomed dat de modernisering van het strafprocesrecht noodzakelijk is. Criminaliteit ontwikkelt zich voortdurend en bewijsmateriaal bevindt zich steeds vaker op mobiele telefoons, computers, servers en online communicatieplatformen. Volgens hem moet Suriname daarom beschikken over adequate wettelijke instrumenten om strafbare feiten effectief te onderzoeken.
Tegelijkertijd vindt hij dat uitbreiding van de opsporingsbevoegdheden niet ten koste mag gaan van de rechtsbescherming van burgers en verdachten.
“Een wet is niet goed omdat zij de overheid méér bevoegdheden geeft. Een wet is goed wanneer zij de juiste bevoegdheden geeft, onder duidelijke voorwaarden, met effectieve controle en met voldoende bescherming tegen misbruik”, stelt Lalmahomed.
Wie controleert de betrouwbaarheid van digitaal bewijs?
Een belangrijk aandachtspunt in het betoog is de vraag hoe de overheid kan garanderen dat digitaal bewijsmateriaal betrouwbaar blijft gedurende een strafrechtelijk onderzoek.
Lalmahomed vraagt de regering om duidelijkheid over de procedures die moeten voorkomen dat digitale gegevens worden gewijzigd, beschadigd of op een andere manier worden aangetast. Daarbij gaat het niet alleen om het verzamelen van gegevens, maar ook om de manier waarop deze worden verwerkt en bewaard.
Hij legt de regering de volgende vraag voor:
“Hoe worden de authenticiteit en integriteit van digitaal bewijs gewaarborgd en hoe kan de verdediging die controleren?”
De vraag raakt volgens zijn betoog aan een belangrijk onderdeel van een eerlijk strafproces: de mogelijkheid voor de verdediging om het bewijsmateriaal waarop een verdenking of vervolging is gebaseerd, te controleren.
Lalmahomed vraagt daarmee niet alleen aandacht voor de bevoegdheden van de opsporingsdiensten, maar ook voor de waarborgen die moeten gelden bij het gebruik van digitaal bewijs.
Duidelijke regels voor bewaren en vernietigen van gegevens
Naast de betrouwbaarheid van digitaal bewijsmateriaal wil Lalmahomed weten welke regels gelden voor de beveiliging, bewaring, vernietiging en het hergebruik van digitale informatie.
Bij onderzoeken naar strafbare feiten kunnen opsporingsdiensten toegang krijgen tot grote hoeveelheden persoonlijke en zakelijke gegevens. Het is volgens zijn betoog daarom van belang dat duidelijk wordt vastgelegd hoe met deze informatie wordt omgegaan.
De parlementariër vraagt onder meer hoe wordt voorkomen dat digitaal onderzoek verder gaat dan noodzakelijk, vooral wanneer gegevens van personen die zelf niet worden verdacht, in het onderzoek terechtkomen.
Hij wijst erop dat een onderzoek naar bijvoorbeeld een laptop van een ondernemer of een bedrijfsserver ook toegang kan geven tot privéberichten en informatie van werknemers of andere betrokkenen.
“Een burger hoeft immers niet zelf verdacht te zijn om door een digitaal onderzoek geraakt te worden”, benadrukt Lalmahomed.
Volgens hem moet de regering duidelijk maken welke mogelijkheden burgers hebben om achteraf te worden geïnformeerd, onrechtmatige ingrepen aan te vechten en onnodig bewaarde gegevens te laten verwijderen.
Twijfels over praktische uitvoerbaarheid moeten worden weggenomen
Lalmahomed beperkt zijn vragen niet tot de juridische aspecten van digitale opsporing. Hij wil ook weten of de betrokken instanties over voldoende personeel, technische voorzieningen en financiële middelen beschikken om de nieuwe bevoegdheden deskundig en veilig uit te voeren.
Volgens hem moet de regering concreet aangeven welke middelen daadwerkelijk beschikbaar zijn. Daarbij vraagt hij niet alleen om informatie over trainingen, maar ook om duidelijkheid over de planning, verantwoordelijkheden en financiering.
Hij vindt dat de regering niet kan volstaan met algemene toezeggingen over toekomstige voorzieningen.
In zijn betoog stelt hij dat de verdere behandeling van de ontwerpwet zich onder meer moet richten op veilige omgang met gegevens, betrouwbare bewijsvoering, effectieve rechterlijke controle en aantoonbare uitvoeringscapaciteit.
Daarmee vraagt Lalmahomed de regering om niet alleen de wettelijke mogelijkheden voor digitale opsporing uit te breiden, maar ook inzichtelijk te maken hoe deze bevoegdheden in de praktijk verantwoord zullen worden toegepast.
Ook rechterlijke controle noodzakelijk
Een ander aandachtspunt is de rol van de rechter bij ingrijpende digitale onderzoeken. Lalmahomed wil weten welke criteria bepalen wanneer voorafgaande rechterlijke machtiging noodzakelijk is.
Ook vraagt hij hoe wordt gecontroleerd dat de uitvoering van een digitaal onderzoek binnen de grenzen van een verleende machtiging blijft.
Hij benadrukt dat opsporingsbevoegdheden duidelijk moeten worden begrensd en dat burgers voldoende mogelijkheden moeten hebben om onrechtmatig optreden aan te vechten.
“Ik ben niet tegen modernisering van het strafprocesrecht. Ik ben tegen modernisering zonder voldoende waarborgen”, verklaart Lalmahomed.
Volgens hem moet de modernisering bijdragen aan een strafrechtsysteem waarin slachtoffers op serieus onderzoek kunnen rekenen, maar waarin tegelijkertijd de rechten van verdachten en andere betrokkenen worden gerespecteerd.
Regering moet met concrete antwoorden komen
Lalmahomed vraagt de regering om tijdens de verdere behandeling van de wetswijziging concreet in te gaan op de juridische, organisatorische en financiële voorwaarden voor de uitvoering van de nieuwe bevoegdheden.
Ook stelt hij voor om periodieke rapportages en een evaluatie na bijvoorbeeld twee jaar te overwegen. Daarmee zou De Nationale Assemblée kunnen beoordelen hoe vaak de bevoegdheden worden ingezet, welke onregelmatigheden worden vastgesteld en of de wettelijke waarborgen in de praktijk voldoende functioneren.
De parlementariër maakt duidelijk dat hij niet tegen de modernisering van de strafvordering is. Wel vindt hij dat de uitbreiding van opsporingsmogelijkheden hand in hand moet gaan met bescherming tegen misbruik en betrouwbare bewijsvoering.
“Deze voorwaarden zijn geen obstakels voor de opsporing. Ze maken de opsporing juist sterker en betrouwbaarder”, aldus Lalmahomed.
Hij sluit zijn betoog af met de boodschap dat een sterke rechtsstaat niet wordt bepaald door de hoeveelheid macht waarover de overheid beschikt, maar door de manier waarop die macht wordt gebruikt en begrensd








