Om de gevolgen van de Cassava Witches’ Broom Disease (CWBD), ook bekend als ‘heksenbezem’, zo goed mogelijk op te vangen, moet volgens het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij (LVV) worden ingezet op cassavevariëteiten die tolerant of resistent zijn tegen de ziekte.
Antoinette Djoeneri, hoofd van de afdeling Mycologie/Bacteriologie van LVV, zegt dat dergelijke variëteiten zowel buiten Suriname als lokaal gevonden kunnen worden, maar dat de voorkeur nu uitgaat naar het opsporen van lokale resistente variëteiten in samenwerking met onderzoeksinstituut Celos.
Djoeneri wijst erop dat internationale instituten al geruime tijd onderzoek doen naar resistente cassavevariëteiten, maar dat er nog geen variëteiten zijn vrijgegeven, omdat studies nog lopen. “Daarom is het beter dat LVV – in samenwerking met Celos – uitkijkt naar lokale resistente variëteiten,” stelt zij. Bij import van nieuw plantmateriaal zouden variëteiten bovendien eerst gevalideerd moeten worden. Daarbij moet ook worden nagegaan of de cassave past binnen de Surinaamse eetcultuur, onder meer wat betreft smaak en structuur.
Volgens LVV is de aanpak van CWBD niet alleen een taak van onderzoeksinstituten. Djoeneri benadrukt dat landbouwers actief betrokken moeten worden. “Er is werk voor ons allen als gemeenschap. Niet alleen de onderzoeksinstituten gaan het werk moeten doen; het moet in samenwerking zijn met de landbouwer.”
Sinds de eerste meldingen van CWBD-symptomen binnenkwamen, zijn LVV-medewerkers het veld ingegaan om situaties te beoordelen. Aan landbouwers bij wie symptomen werden vastgesteld, is geadviseerd om aangetaste planten te vernietigen. Toch merkt LVV dat in sommige gevallen opnieuw stekmateriaal wordt gebruikt dat er gezond uitziet, maar afkomstig is uit dezelfde besmette aanplant.
Dat brengt volgens Djoeneri grote risico’s met zich mee. “Het is heel goed mogelijk dat meer dan 70% van zo’n aanplant bestaat uit hetzelfde stekmateriaal waarvan de teler denkt dat het gezond is, maar dat in werkelijkheid reeds besmet is. Dan heb je een hele aanplant ziek gemaakt. En natuurlijk, dat baart zorgen.”
De impact van ‘heksenbezem’ kan volgens LVV ernstig zijn, met inkomstenderving als gevolg, onder meer bij landbouwers op de jonge kustvlakte. In districten waar cassave als hoofdgewas geldt, zoals Brokopondo, Sipaliwini en Marowijne, gaat het volgens Djoeneri echter verder dan alleen inkomsten. “Dan heeft het ook te maken met de voedselzekerheid, omdat cassave een hoofdgewas is.”
Landbouwers die symptomen van CWBD in het veld signaleren, worden opgeroepen dit te melden bij een LVV-kantoor in hun ressort. Meldingen kunnen ook via medewerkers van het ministerie van Regionale Ontwikkeling (RO) worden doorgegeven. De technische diensten van LVV en RO zullen vervolgens het veld ingaan om telers te begeleiden, op basis van trainingen die zij hebben gevolgd.
Wanneer telers zeker weten dat een aanplant besmet is, moeten de aangetaste planten worden verwijderd en bij voorkeur worden verbrand. Senior onderzoeker Santusha Bhaggoe van de afdeling Mycologie/Bacteriologie van LVV benadrukt dat verbranding de kans op verdere verspreiding verkleint. Besmet plantmateriaal dat blijft liggen, kan volgens haar nog sporen bevatten die via insecten naar andere gebieden kunnen worden overgebracht.
LVV benadrukt dat er momenteel geen effectieve behandeling bestaat tegen de Cassava Witches’ Broom Disease. “Dat wil zeggen dat er ook geen fungicide beschikbaar is om de schimmel te doden,” aldus Bhaggoe.










