De fractieleider van NDP, Rabin Parmessar, heeft in De Nationale Assemblee een uitgebreid betoog gehouden over de grondwetswijzigingen die moeten leiden tot twee institutionele hervormingen: de invoering van cassatierechtspraak en de herstructurering van het Openbaar Ministerie (OM). Volgens hem passen de voorstellen in een bredere modernisering van de rechtsstaat, met betere controlemechanismen en versterking van het vertrouwen in de rechtsorde.
Parmessar stelde dat Suriname als zelfstandige democratische rechtsstaat niet langer zou moeten volstaan met een systeem waarin slechts twee rechterlijke instanties bestaan. Een derde instantie voor cassatie moet volgens hem bijdragen aan rechtszekerheid, rechtseenheid en rechtsontwikkeling. Cassatie is daarbij, benadrukte hij, geen “derde feitenrechter”, maar een rechtscollege dat toetst of het recht correct is toegepast.
Hij wees erop dat in veel andere landen binnen CARICOM al een voorziening bestaat voor cassatie, terwijl die in Suriname ontbreekt. Ook het Hof van Justitie zou volgens Parmessar de noodzaak van een derde instantie onderschrijven, al bestaan er verschillende visies over de concrete invulling.
Cassatierechtspraak als derde instantie
In zijn toelichting ging Parmessar in op de keuze tussen aansluiting bij het Caribbean Court of Justice (CCJ) of het opzetten van een eigen Hoge Raad. Hij pleitte voor het uitgangspunt van een nationale cassatie-instantie, die volgens hem beter aansluit bij soevereiniteit en institutionele volwassenheid. Tegelijk bepleitte hij een gefaseerde aanpak, waarbij de Grondwet ruimte laat voor tijdelijke of aanvullende internationale invulling, onder meer vanwege beperkte capaciteit en deskundigheid in de beginfase.
Parmessar stelde daarbij expliciet voor om de Grondwet zó aan te passen dat voor leden van de Hoge Raad kan worden afgeweken van de vereisten van Surinaamse nationaliteit en woonplaats. Daarmee zou internationale expertise kunnen worden aangetrokken om gezag en kwaliteit van de cassatierechtspraak te borgen, vooral bij complexere juridische vraagstukken, bijvoorbeeld rond internationale investeringen en de olie- en gassector.
Herstructurering van het Openbaar Ministerie
Naast de cassatie-instantie stond in het betoog de hervorming van het OM centraal. Parmessar benadrukte dat het voorstel niet is gericht tegen personen en ook niet tegen het vervolgingsmonopolie, maar voortkomt uit de vraag of de huidige, sterk gecentraliseerde structuur nog past bij de eisen van een moderne rechtsstaat.
Hij wees erop dat bij één functionaris, de procureur-generaal, een breed pakket aan bevoegdheden is geconcentreerd, variërend van strafvervolging en opsporing tot toezicht, advisering en bestuurlijke taken. Die concentratie is volgens hem historisch verklaarbaar, maar dat mag niet automatisch betekenen dat de structuur onaantastbaar is. De invoering van een College van Procureurs-Generaal moet, aldus Parmessar, collegiale besluitvorming versterken, persoonsafhankelijkheid verminderen en interne checks and balances verbeteren. Daarmee zouden transparantie, rechtsgelijkheid en controleerbaarheid van het vervolgingsbeleid worden vergroot.
Parmessar erkende dat de memorie van toelichting op dit onderdeel in eerste instantie onvoldoende onderbouwing biedt en dat dit nader moet worden uitgewerkt. Ook verwierp hij het argument dat collegiale leiding niet zou passen bij de “kleine schaal” van Suriname: checks and balances hangen volgens hem niet af van bevolkingsomvang, maar van democratische principes en de vraag hoeveel macht bij één functionaris wordt geconcentreerd.
Politieke afweging en vervolgtraject
Parmessar plaatste de voorstellen nadrukkelijk binnen de constitutionele rol van het parlement. Hij wees op het recht van initiatief van assembleeleden en het primaat van de politiek bij keuzes over de inrichting van staatsmachten, binnen de grenzen van de Grondwet. Volgens hem raken de wijzigingen de kern van de constitutionele rechtsorde en is daarom een zorgvuldige, maar ook moedige politieke afweging nodig.
Tot slot stelde hij dat de voorgestelde grondwetswijzigingen geen eindpunt zijn, maar het begin van een langer moderniseringstraject. Het doel is volgens hem een rechterlijke macht en een OM die niet alleen onafhankelijk zijn, maar ook zichtbaar rechtvaardig, controleerbaar en toekomstbestendig, om het vertrouwen van burgers en internationale partners duurzaam te versterken.










