De initiatiefwetten over het Openbaar Ministerie (OM) en de rechterlijke macht worden gepresenteerd als noodzakelijke modernisering. Maar de vraag die te weinig wordt gesteld is eenvoudig: gaat de Surinamer hier in het dagelijks leven iets van merken?
De opmerkingen van NPS-fractieleider Jerrel Pawiroredjo raken precies dat pijnpunt.
Voor veel burgers begint het rechtssysteem niet bij de rechter, maar bij het politiebureau. Wie ooit aangifte heeft willen doen van diefstal of huiselijk geweld, weet hoe frustrerend dat kan zijn.
Uren wachten, van loket naar loket worden gestuurd, of weken later horen dat het proces-verbaal onvolledig is en moet worden overgedaan. Ook aanrijdtijden bij noodgevallen zijn regelmatig onderwerp van publieke verontwaardiging. Dit zijn geen incidenten, maar laten zien dat het systeen aan de basis overbelast is.
Toch richten de voorgestelde wetswijzigingen zich vooral op de top van het justitiële apparaat.
Het benoemen van extra procureurs-generaal of het herschikken van bevoegdheden klinkt voortvarend, maar het verandert niets aan het feit dat politiediensten kampen met tekorten, dat dossiers blijven liggen en dat strafzaken soms jarenlang duren voordat ze inhoudelijk worden behandeld.
Wie ooit een zaak bij de kantonrechter of in hoger beroep heeft gevolgd, weet hoe vaak zittingen worden uitgesteld vanwege gebrek aan capaciteit.
De personele tekorten zijn inmiddels algemeen bekend. Het OM heeft te weinig officieren en ondersteunend personeel, de rechterlijke macht draait op een kleine groep overbelaste rechters en griffiers, en jonge juristen vertrekken naar beter betaalde functies in het bedrijfsleven of naar het buitenland. Dat is geen theoretisch probleem, maar dagelijkse realiteit in Suriname. Zolang deze uitstroom niet wordt aangepakt, blijven hervormingen aan de top vooral symbolisch.
Ook de discussie over cassatie laat zien hoe belangrijk realiteitszin is.
Een nationale Hoge Raad klinkt aantrekkelijk, maar zal dat werken.
Waar moeten de extra rechters vandaan komen? Wie gaat de gewone straf- en civiele zaken behandelen als ervaren rechters worden weggetrokken naar een nieuwe institutie?
Aansluiting bij het Caribbean Court of Justice is een alternatief, zonder extra bureaucratie en kosten.
Bijzonder gevoelig is het voorstel om het OM geen rol meer te geven bij de voordracht van de procureur-generaal. In een land waar politieke invloed op instituties historisch geen onbekend fenomeen is, is dit geen detail. Juist de professionele inbreng van het OM fungeert als buffer tegen benoemingen op basis van loyaliteit in plaats van deskundigheid. Het loslaten daarvan vergroot het risico op wantrouwen in een toch al kwetsbaar systeem.
Dat wantrouwen wordt verder gevoed door het idee om de grondwettelijke instructiebevoegdheid van de procureur-generaal richting de politie te schrappen. In de Surinaamse praktijk, waar bevoegdheden vaak onduidelijk zijn en verantwoordelijkheden soms langs elkaar heen lopen, is een heldere gezagslijn geen luxe maar noodzaak. Zonder die duidelijkheid dreigt selectieve handhaving en blijft de burger in onzekerheid achter.
Pawiroredjo wijst terecht ook op het gevaar van te lange zittingsduren op sleutelposities. Suriname kent voorbeelden waarbij bestuurders en functionarissen jarenlang op dezelfde stoel blijven zitten, met verstarring en machtsconcentratie tot gevolg. Tegelijk laat de voortdurende discussie over pensioenleeftijden zien hoe inconsistent beleid kan worden als het niet is gebaseerd op analyse, maar op momentpolitiek.
De kern is helder: hervorming is nodig, maar niet los van de Surinaamse realiteit. Een rechtssysteem versterk je niet door nieuwe structuren te bouwen op een wankele fundering. Zolang politiebureaus onderbezet zijn, dossiers blijven liggen en rechtszaken jaren duren, zal de burger weinig merken van “modernisering”.
Wie werkelijk wil hervormen, begint eerst bij het investeren in mensen, duidelijke gezagsverhoudingen en betrouwbare basisprocessen.
De discussie hierover is nog gaande.











