Als jong meisje ging ik regelmatig met mijn moeder mee naar de vergaderingen van de Staten van Suriname. Zo heette het parlement toen.
Zij was actief lid van de NPS en ik vond het super interessant om bij die vergaderingen aanwezig te zijn. Daar zat ik dan, vol aandacht luisterend naar Statenleden die hun argumenten met passie of juist met rust verdedigden. Ik leerde niet alleen over politiek, maar ook over fatsoen en over het feit dat je met argumenten een debat kunt voeren.
Het parlement was een leerschool – ook voor wie geen politicus was.
Wie vandaag echter de vergaderingen van De Nationale Assemblée volgt, herkent daar nog maar weinig van.
Misschien hadden ze de naam niet moeten veranderen naar DNA.
Het debat van vroeger werd gedragen door mannen met inhoud, dossierkennis en respect voor het instituut. Het was een ware lust om naar te kijken. Wat we nu te vaak zien, is een beschamende vertoning van geschreeuw, persoonlijke aanvallen en ordeloosheid. Sommige huidige DNA-leden zullen de geschiedenisboeken niet ingaan als staatsmannen, maar als schreeuwers: inhoudsloos en respectloos.
Maar dit gaat verder dan politiek.
In die tijd had je parlementsvoorzitters zoals Emiel Wijntuin en Jagernath Lachmon. Zij waren de bewakers van orde, waardigheid en gezag. Zij stelden eisen aan de leden, durfden grenzen te stellen en keken niet lijdzaam toe om af en toe met de hamer te slaan. Als ik daarboven zit en dit slecht opgevoerde drama aanschouw, vraag ik mij af waarom de voorzitter het toelaat. Ik krijg last van plaatsvervangende schaamte. Er zijn geen enkele consequenties.
Misschien moet het huishoudelijk reglement worden aangescherpt. Bijvoorbeeld: wie tot drie keer toe een waarschuwing van de voorzitter negeert, wordt geschorst en moet de vergaderzaal verlaten.
Wie blijft schreeuwen en het debat structureel verstoort, moet financieel worden geraakt – door inhouding van salaris. Want parlementair gedrag is geen vrijblijvendheid. Als volksvertegenwoordiger heb je een voorbeeldfunctie.
Maar dit gaat verder dan politiek.
Dit is een maatschappelijk signaal.
Wat leren jongeren als volksvertegenwoordigers openlijk lak hebben aan gezag, regels en fatsoen? Waarom zouden zij dan respect moeten hebben voor leraren, politie of instituties, als het hoogste orgaan van het land zelf ontspoort? Het parlement hoort een voorbeeldfunctie te vervullen, geen slechte spiegel te zijn.
Mannen als Otmar Rodgers, Rufus Nooitmeer, Fedor Bottse, Emille Wijntuin Ata Mungra, George Hindori, Eddy Bruma en Jagernath Lachmon zouden zich diep schamen als zij deze vertoning zouden aanschouwen.
Zij verschilden ook scherp van mening, maar argumenteerden. Zij beheersten de kunst van het woord, niet de kracht van de stem.
Desi Bouterse noemde het parlement ooit een poppenkast, en ik moet toegeven dat het er steeds meer op begint te lijken. Vroeger had NAKS toneeluitvoeringen van Anansi. Ik deed zelf ook aan toneel en speelde samen met mijn zusje in Anansi-producties. Steeds vaker zie ik Anansi-spelers in het parlement. Het verschil is alleen dat het hier niet gaat om een leuk toneelstuk fu lafu, maar om de werkelijkheid.
Het parlement verdient beter. De samenleving verdient beter. En jongeren verdienen voorbeelden die laten zien dat gezag, inhoud en respect nog steeds betekenis hebben. De vraag is niet of het anders kan – wij weten dat het anders kan. Nu is het aan de voorzitter om dit college één te maken, waarin op een fatsoenlijke en respectvolle wijze wordt gedebatteerd, gebaseerd op inhoudelijke kennis.










