Kleine ondernemers dreigen relatief zwaar te worden belast door de voorgestelde kosten voor belastinginvordering. Daarvoor waarschuwde NPS-parlementariër Jeffrey Lau vrijdag tijdens de behandeling van de Invorderingswet en de Kostenwet invordering belastingen in De Nationale Assemblée. Hij vroeg om duidelijke kostengrenzen en meer aandacht voor de draagkracht van kleine bedrijven.
Volgens Lau houden de voorgestelde regels onvoldoende rekening met de verschillen tussen een eenmanszaak, een middelgrote onderneming en een multinational. Vooral bij kleine belastingschulden kunnen vaste invorderingskosten een aanzienlijk deel van het verschuldigde bedrag vormen. Grotere ondernemingen beschikken volgens hem doorgaans over meer financiële en administratieve mogelijkheden om aan hun verplichtingen te voldoen.
“De efficiëntie van de staat mag niet worden gefinancierd door de financiële ondergang van de kleine ondernemer”, stelde Lau. Hij pleitte voor kosten die in verhouding staan tot de schuld en vroeg om eventueel ruimere termijnen voor kleine ondernemingen.
Ook bij hoge belastingschulden vindt de parlementariër de voorgestelde berekening problematisch. Volgens hem voorziet het ontwerp voor de betekening van een dwangbevel in een vergoeding van één procent van de openstaande schuld, met een minimum van SRD 500 en zonder maximum. Bij een schuld van SRD 10 miljoen zou één betekening daardoor SRD 100.000 kosten.
Lau vroeg waarom dezelfde handeling zoveel duurder moet worden naarmate de schuld hoger is. Hij stelde voor een maximumbedrag vast te leggen en bij voorkeur een tarief toe te passen waarbij het percentage afneemt als de schuld groter wordt. Daarnaast wil hij voorkomen dat voor dezelfde werkzaamheid dubbele kosten worden berekend.
Minister Adelien Wijnerman van Financiën en Planning erkende dat de berekeningswijze aandacht verdient. Een procentueel tarief kan bij hoge schulden tot aanzienlijke kosten leiden, terwijl een minimumbedrag bij kleine schulden juist relatief zwaar kan uitpakken.
De minister noemde het begrenzen van zeer hoge kosten en het voorkomen van onnodige stapeling als aandachtspunten. Ook moet een belastingplichtige volgens haar een begrijpelijke specificatie ontvangen, zodat duidelijk is welke handeling is verricht, op welke grondslag de kosten worden berekend en hoe het bedrag tot stand komt.
Tijdens het debat ontstond daarnaast verschil van inzicht over de rol van het parlement bij het vaststellen van de tarieven. Lau beriep zich op artikel 155 van de Grondwet en vond dat het parlement essentiële financiële verplichtingen zelf moet vastleggen.
NDP-parlementariër Raymond Sapoen stelde daartegenover dat invorderingskosten vergoedingen zijn voor juridische en administratieve werkzaamheden en niet zonder meer gelijkstaan aan belastingtarieven. Wijnerman onderschreef dat onderscheid en stelde dat artikel 155 niet rechtstreeks van toepassing is op deze kosten als zodanig.
Een concreet maximumbedrag werd tijdens deze ronde niet bekendgemaakt. De regering kondigde wijzigingen aan voor de verdere behandeling. Beide wetten werden tijdens de vergadering nog niet aangenomen.








