De goedkeuring van vier internationale kinderbeschermingsverdragen door De Nationale Assemblée (DNA) is volgens VHP-parlementariër Hakiem Lalmahomed slechts een eerste stap. Hij waarschuwt dat kinderen weinig zullen merken van de nieuwe wetgeving als de regering niet zorgt voor voldoende personeel, financiële middelen en goed functionerende instanties. Ook vindt de VHP-fractie de voorziene termijn van drie jaar voor de inwerkingtreding te lang.
De Nationale Assemblée heeft dinsdag 20 oktober 2026 met 30 stemmen vóór ingestemd met de toetreding van Suriname tot vier Haagse kinderbeschermingsverdragen. De verdragen moeten de rechtsbescherming van kinderen versterken in situaties waarbij meerdere landen betrokken zijn.
Het gaat onder meer om internationale kinderontvoering, interlandelijke adoptie, grensoverschrijdende beschermingsmaatregelen en de internationale inning van kinderalimentatie.
Lalmahomed verwelkomt de unanieme goedkeuring, maar benadrukt dat de grootste uitdaging nu bij de uitvoering ligt. Volgens hem bestaat het risico dat de verdragen vooral op papier betekenis krijgen wanneer de noodzakelijke voorzieningen uitblijven.
VHP wil versterking Bureau voor Familierechtelijke Zaken
Een belangrijk aandachtspunt is volgens de parlementariër de positie van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken (BUFaz). Hij pleit ervoor om deze instantie aan te wijzen als Centrale Autoriteit voor de uitvoering van de verdragen.
Daarvoor moet het bureau volgens Lalmahomed worden versterkt met voldoende personeel, financiële middelen en een duidelijk wettelijk mandaat. Ook verlangt hij van de regering een concreet implementatieplan, waarin verantwoordelijkheden, beschikbare middelen en uitvoeringstermijnen worden vastgelegd.
Volgens het DNA-lid kan Suriname zijn internationale verplichtingen niet nakomen zonder een goed georganiseerde uitvoeringsstructuur. De bescherming van kinderen mag volgens hem bovendien niet ophouden bij de landsgrenzen.
Drie jaar wachten op uitvoering te lang
De VHP-fractie maakt zich daarnaast zorgen over de voorziene termijn van drie jaar voor de inwerkingtreding van de verdragen. Volgens Lalmahomed duurt het daarmee te lang voordat de nieuwe internationale afspraken daadwerkelijk effect kunnen hebben.
Hij wijst erop dat het meest recente van de vier verdragen al uit 2007 dateert. Suriname loopt volgens hem daardoor achter bij het aansluiten op internationale afspraken over kinderbescherming.
De parlementariër vindt dat de regering voortvarend moet handelen om te voorkomen dat de uitvoering opnieuw vertraging oploopt.
Ook Kinderombudsinstituut moet operationeel worden
Naast de uitvoering van de internationale verdragen vraagt Lalmahomed aandacht voor het Kinderombudsinstituut Suriname (KOS). De wet voor dit instituut werd in 2024 ingediend door de regering-Santokhi en vervolgens door het parlement goedgekeurd.
Volgens hem mag de daadwerkelijke operationalisering van het instituut niet verder uit beeld verdwijnen.
Het Kinderombudsinstituut moet binnen zijn wettelijke bevoegdheden onafhankelijk kunnen toezien op de naleving van kinderrechten, tekortkomingen signaleren en structurele problemen onder de aandacht brengen.
De Centrale Autoriteiten die verantwoordelijk worden voor de uitvoering van de Haagse verdragen, krijgen een andere taak. Zij moeten zich vooral bezighouden met internationale samenwerking en de afhandeling van zaken die onder de verdragen vallen.
Volgens Lalmahomed vullen beide instanties elkaar aan en zijn ze noodzakelijk om kinderen daadwerkelijk betere rechtsbescherming te bieden.
Wetsvoorstel dateert uit 2023
De goedgekeurde toetreding kent een langere voorgeschiedenis. Het wetsvoorstel werd al in 2023 ingediend door de toenmalige regering-Santokhi.
Op 14 juli 2026 drong de VHP-fractie schriftelijk aan op behandeling van het voorstel in het parlement. Lalmahomed spreekt daarom zijn waardering uit voor het feit dat de behandeling uiteindelijk heeft plaatsgevonden en op brede politieke steun kon rekenen.
Volgens hem moet kinderbescherming boven politieke tegenstellingen staan. Tegelijkertijd vindt hij het noodzakelijk dat het parlement kritisch blijft toezien op de uitvoering van aangenomen wetgeving.
Met de goedkeuring van de vier verdragen heeft Suriname volgens de parlementariër een belangrijke juridische stap gezet. Het is nu aan de regering en betrokken instellingen om ervoor te zorgen dat de internationale afspraken worden vertaald naar concrete bescherming voor kinderen.








