Minderjarigen moeten beter worden beschermd wanneer de politie in het kader van een strafrechtelijk onderzoek hun mobiele telefoons en andere digitale apparaten onderzoekt. Daarvoor pleit Lalmahomed in zijn parlementaire betoog tijdens de behandeling van de voorgestelde wijziging van het Wetboek van Strafvordering op donderdag 16 oktober 2026.
Lalmahomed vindt dat de modernisering van het strafprocesrecht noodzakelijk is om criminaliteit effectiever te kunnen bestrijden. Tegelijkertijd benadrukt hij dat nieuwe digitale opsporingsbevoegdheden gepaard moeten gaan met duidelijke wettelijke waarborgen, vooral wanneer minderjarigen bij een onderzoek betrokken zijn.
Volgens hem speelt een groot deel van het sociaal leven van jongeren zich tegenwoordig digitaal af. Hun telefoons bevatten niet alleen berichten en foto’s, maar ook informatie over hun opleiding, vriendschappen en persoonlijke omstandigheden. Daardoor kan het onderzoeken van één telefoon gevolgen hebben voor veel meer personen dan alleen degene op wie het strafrechtelijk onderzoek is gericht. “Een telefoon is voor hen niet alleen een communicatiemiddel. Het is ook een belangrijk onderdeel van hun persoonlijke en maatschappelijke leven”, stelt Lalmahomed.
Onderzoek naar één jongere kan tientallen anderen raken
Een van de belangrijkste zorgen van Lalmahomed is dat digitaal politieonderzoek verder kan reiken dan de persoon tegen wie een verdenking bestaat. Wanneer opsporingsdiensten toegang krijgen tot de telefoon van een minderjarige, kunnen ook privégesprekken, afbeeldingen en andere gegevens van schoolgenoten en vrienden zichtbaar worden. Hij vindt dat de overheid duidelijk moet aangeven hoe ver een dergelijk onderzoek mag gaan en hoe de rechten van personen die zelf niet worden verdacht, worden beschermd. “De verdenking tegen één persoon mag niet automatisch leiden tot een onbeperkt onderzoek naar het leven van tientallen anderen”, benadrukt hij.
Lalmahomed vraagt de regering daarom welke bijzondere waarborgen gelden wanneer minderjarigen betrokken raken bij digitale opsporing. Daarbij gaat het zowel om jongeren die zelf verdacht zijn als om minderjarigen van wie persoonlijke gegevens indirect in een politieonderzoek terechtkomen. Volgens hem moeten de privacy en de toepasselijke rechtsbescherming van deze jongeren volledig worden gerespecteerd.
Jongeren moeten ook tegen digitale criminaliteit worden beschermd
Hoewel Lalmahomed aandacht vraagt voor de privacy van minderjarigen, benadrukt hij dat jongeren niet buiten het bereik van de strafwet mogen vallen. Hij wijst erop dat jongeren ook slachtoffer kunnen worden van cyberpesten, bedreigingen, afpersing, digitale fraude en de ongeoorloofde verspreiding van persoonlijke beelden.
De overheid moet volgens hem voldoende mogelijkheden behouden om tegen dergelijke strafbare feiten op te treden. Ook wanneer minderjarigen zelf strafbare feiten plegen, moet de politie onderzoek kunnen verrichten. Wel moet volgens Lalmahomed een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen noodzakelijk strafrechtelijk onderzoek en het onnodig blootleggen van het privéleven van jongeren. Zijn pleidooi richt zich daarom niet tegen digitale opsporing als zodanig, maar op het vastleggen van grenzen waarbinnen de politie haar bevoegdheden mag uitoefenen.
Geen politieonderzoek vanwege afwijkende mening
Lalmahomed vraagt daarnaast aandacht voor jongeren die zich actief uitspreken over politieke en maatschappelijke kwesties. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat hun mening of aanwezigheid op sociale media niet zonder wettelijke grondslag aanleiding vormt voor ingrijpend politieonderzoek. “Kritiek op de regering is op zichzelf geen strafbaar feit. Een afwijkende mening is geen bewijs van criminaliteit. En een actieve aanwezigheid op sociale media is geen vrijbrief voor een onbeperkt onderzoek naar iemands privéleven”, stelt hij.
Volgens Lalmahomed moeten opsporingsbevoegdheden worden ingezet op basis van concrete verdenkingen en wettelijke criteria, en niet op grond van persoonlijke voorkeuren of de inhoud van een mening. Hij benadrukt dat dit niet uitsluitend van belang is voor jongeren, maar voor iedereen die in een democratische samenleving vrij wil kunnen communiceren.
Meer voorlichting over rechten bij politieonderzoek
Naast wettelijke bescherming pleit Lalmahomed voor betere voorlichting aan jongeren over hun rechten wanneer zij met politieonderzoek te maken krijgen. Volgens hem moeten jongeren weten wat hun rechten zijn wanneer hun telefoon in beslag wordt genomen, wanneer hun persoonlijke gegevens worden onderzocht of wanneer zij als getuige of verdachte worden gehoord. De regering zou hiervoor kunnen samenwerken met onderwijsinstellingen, juridische beroepsgroepen en maatschappelijke organisaties.
Lalmahomed vindt dat daarvoor niet noodzakelijk een afzonderlijk en kostbaar programma hoeft te worden opgezet. Voorlichting over digitale privacy en rechten bij strafrechtelijk onderzoek zou volgens hem ook kunnen worden opgenomen in bestaande voorlichtingsactiviteiten. “Jongeren moeten hun verantwoordelijkheid kennen, maar wij moeten ook kunnen vertrouwen op een overheid die haar eigen verantwoordelijkheid serieus neemt”, aldus Lalmahomed.
Regering moet duidelijkheid verschaffen
Tijdens de behandeling van de wetswijziging heeft Lalmahomed de regering gevraagd om concreet aan te geven welke rechtsbescherming geldt voor minderjarigen en andere burgers die door digitaal politieonderzoek worden geraakt. Hij wil onder meer weten welke mogelijkheden betrokkenen hebben om onrechtmatig optreden aan te vechten en hoe wordt voorkomen dat opsporingsdiensten meer persoonlijke gegevens verzamelen dan noodzakelijk is.
Ook vraagt hij aandacht voor duidelijke regels over de beveiliging, bewaring en vernietiging van digitale informatie. Volgens Lalmahomed mag de uitbreiding van de opsporingsbevoegdheden niet uitsluitend worden beoordeeld op de mogelijkheden die de politie krijgt om criminaliteit te bestrijden. Er moet eveneens worden gekeken naar de bescherming van burgers tegen onrechtmatige inbreuken op hun persoonlijke levenssfeer. “Veiligheid en privacy zijn geen tegenpolen. Een goed functionerende rechtsstaat beschermt burgers tegen criminaliteit én tegen onrechtmatig overheidsoptreden”, benadrukt hij.









