De Verenigde Staten hebben nieuwe invoerheffingen van 10 tot 12,5 procent ingesteld op goederen uit zestig belangrijke handelspartners. De Amerikaanse regering zegt met de maatregel landen onder druk te willen zetten om strenger op te treden tegen producten die geheel of gedeeltelijk met dwangarbeid zijn vervaardigd. Verschillende landen hebben de Amerikaanse beschuldigingen en tarieven afgewezen.
De nieuwe heffingen zijn vrijdag ingegaan, kort nadat een tijdelijke algemene Amerikaanse importheffing van 10 procent was afgelopen. De maatregelen zijn genomen op grond van Section 301 van de Amerikaanse Trade Act van 1974, die Washington de mogelijkheid geeft op te treden tegen buitenlandse handelspraktijken die volgens de Verenigde Staten nadelig zijn voor de Amerikaanse economie.
Volgens het kantoor van de Amerikaanse handelsvertegenwoordiger, USTR, hebben de zestig onderzochte economieën onvoldoende maatregelen genomen om de invoer van producten die met dwangarbeid zijn gemaakt te verbieden en effectief tegen te gaan. De betrokken handelspartners zijn samen goed voor ongeveer 99,4 procent van alle Amerikaanse import.
Landen die al een verbod hebben ingesteld, daartoe toezeggingen hebben gedaan of gedeeltelijke maatregelen hebben genomen, krijgen een tarief van 10 procent. Tot deze groep behoren onder meer Canada, Mexico, India, Maleisië, het Verenigd Koninkrijk en Trinidad en Tobago. Voor de meeste andere onderzochte landen geldt een heffing van 12,5 procent.
Voor onder meer de Europese Unie, Japan, Zuid-Korea, Taiwan en Zwitserland gelden aangepaste regelingen. Daarbij wordt rekening gehouden met reeds bestaande invoertarieven, zodat de totale heffing afhankelijk van het product uitkomt op 10 of 12,5 procent.
Niet alle producten vallen onder de nieuwe tarieven. Er gelden uitzonderingen voor onder meer bepaalde grondstoffen, goederen die in de Verenigde Staten onvoldoende beschikbaar zijn en producten waarvan een heffing grote verstoringen in de Amerikaanse economie zou kunnen veroorzaken. Ook goederen die al onder andere Amerikaanse handelsmaatregelen vallen, kunnen worden uitgezonderd.
Internationaal protest
Australië heeft de verhoging van het tarief op zijn producten van 10 naar 12,5 procent “volledig ongerechtvaardigd” genoemd. Minister van Handel Don Farrell zei dat zijn regering bij Washington zal blijven aandringen op het verwijderen van de heffingen. Australië verwerpt de suggestie dat het land onvoldoende doet tegen moderne slavernij en dwangarbeid.
Ook Japan heeft bezwaar gemaakt tegen het tarief van 12,5 procent. De Japanse regering stelt dat de industrie en handel van het land in overeenstemming zijn met internationale arbeidsregels. Tokio zegt bovendien eerder de verzekering te hebben gekregen dat geen nieuwe tarieven boven op bestaande handelsafspraken zouden worden ingesteld.
Brazilië noemt de Amerikaanse maatregel willekeurig en ongerechtvaardigd. De Braziliaanse regering beschuldigt Washington ervan het belangrijke onderwerp van mensen- en arbeidsrechten te gebruiken om een protectionistisch handelsbeleid te rechtvaardigen. Brazilië wil de zaak voorleggen aan de Wereldhandelsorganisatie en overweegt tegenmaatregelen op grond van zijn nationale wederkerigheidswet.
De Europese Unie heeft eveneens vraagtekens gezet bij de Amerikaanse rechtvaardiging. EU-buitenlandchef Kaja Kallas wees erop dat Europese werknemers volgens haar uitgebreide arbeidsbescherming genieten. China verklaarde tegen eenzijdige importheffingen te zijn en waarschuwde dat handelsoorlogen geen van de betrokken partijen ten goede komen.
Gevolgen voor handel en prijzen
Deskundigen verwachten dat de vele productvrijstellingen de directe economische gevolgen enigszins zullen beperken. De tarieven kunnen desondanks leiden tot hogere kosten voor Amerikaanse bedrijven die buitenlandse grondstoffen, machines en eindproducten invoeren. Een deel van die kosten kan uiteindelijk worden doorberekend aan consumenten.
De maatregel zorgt daarnaast voor nieuwe onzekerheid binnen de wereldhandel. Getroffen landen kunnen onderhandelingen met Washington beginnen, hun export naar andere markten verleggen of eigen tegenheffingen invoeren. Vooral wanneer meerdere landen vergeldingsmaatregelen nemen, bestaat het risico dat internationale handelsstromen verder onder druk komen te staan.
Suriname behoort niet tot de zestig economieën die in het officiële Amerikaanse besluit zijn genoemd en wordt onder deze specifieke maatregel dus niet rechtstreeks getroffen. Op de lijst staan uit de regio onder meer Guyana, Trinidad en Tobago, Venezuela, Brazilië, Colombia en verschillende Caribische landen.
Suriname kan wel indirecte gevolgen ondervinden wanneer de handelsstrijd leidt tot hogere internationale transportkosten, veranderingen in wisselkoersen of prijsstijgingen bij goederen die via getroffen landen worden ingevoerd. De uiteindelijke gevolgen zullen afhangen van eventuele onderhandelingen, uitzonderingen en tegenmaatregelen van de betrokken handelspartners.








