Op maandag 19 januari zal het Surinaamse Hof van Justitie meer doen dan alleen een uitspraak doen. De behandeling in hoger beroep rond de voormalige leiding van de Centrale Bank van Suriname (CBvS) geldt als een stevige toets voor de robuustheid van de Surinaamse rechtsstaat.
Het hof moet daarbij vijf fundamentele rechtsvragen beantwoorden. De antwoorden kunnen de verhouding tussen politiek, beleid en strafrecht in de praktijk blijvend beïnvloeden. Elke vraag legt een spanningsveld bloot tussen de letter van de aanklacht en de bedoeling van de wet. De uitspraak wordt daarmee ook richtinggevend als precedent.
Rechtsvraag 1: kan identiek staatshandelen in Den Haag immuniteit genieten en in Paramaribo strafbaar zijn?
De paradox die het fundament aantast
In een Nederlandse procedure verdedigt de Surinaamse staat de CBvS-handelingen als onaantastbaar monetair beleid, noodzakelijk voor financiële stabiliteit. In Paramaribo kwalificeert het Openbaar Ministerie (OM) diezelfde handelingen als verduistering en oplichting.
De vraag aan het hof is of één en dezelfde staatshandeling juridisch gezien twee diametraal tegenovergestelde kwalificaties kan hebben. Accepteert het hof deze tegenstrijdigheid, of ziet het daarin juist aanwijzingen dat niet een misdrijf, maar soeverein beleid wordt vervolgd? Een veroordeling zou deze paradox legitimeren en daarmee de rechtszekerheid kunnen ondermijnen.
Rechtsvraag 2: wanneer wordt een omstreden beleidskeuze een strafbare verduistering?
De grens tussen bestuursdaad en misdaad
Het OM kwalificeert de beslissing om middelen tijdens een liquiditeitscrisis aan te wenden voor salarissen en pensioenen, in plaats van voor schuldaflossing, als ‘verduistering door een ambtenaar’. De verdediging stelt dat sprake was van een noodzakelijke, wettige herprioritering binnen de ruimte van de Comptabiliteitswet.
De vraag aan het hof is waar het de grens legt. Welke objectieve en vooraf kenbare norm zou zijn overschreden om van een bestuurlijke afwegingsfout een strafbaar feit te maken? Als elke fiscale herallocatie in crisistijd strafrechtelijk aanvechtbaar wordt, kan dat leiden tot verlamming van crisismanagement.
Rechtsvraag 3: is een conflict over contractuele proportionaliteit een straf- of civielrechtelijk geschil?
Het Kroll-rapport versus de aanklacht
Het OM stelt dat betaalde voorschotten (tot 50%) niet in verhouding stonden tot de op dat moment geleverde diensten, wat zou duiden op een ‘nadelig contract’ onder de Anti-Corruptiewet. Dit staat tegenover het Kroll-rapport, door het OM zelf besteld, waarin wordt geconcludeerd dat de contracten marktconform en internationaal gebruikelijk zijn.
De vraag aan het hof is welk bewijs zwaarder weegt: de interpretatie van het OM over wat een ‘goede’ tegenprestatie is, of de deskundige analyse van een internationaal forensisch bureau. Een veroordeling op dit punt zou in de kern kunnen neerkomen op strafrechtelijke beslechting van een zakelijk geschil over contractprestaties.
Rechtsvraag 4: vormt wettig toegestaan aandeelhouderschap per definitie strafbare belangenverstrengeling?
De letter van de Bankwet tegenover de geest van de aanklacht
De aanklacht stelt dat belangenverstrengeling ontstond doordat de gouverneur contracten tekende met een bedrijf waarin hij aandeelhouder was. De verdediging wijst er echter op dat artikel 22, lid 5 van de Bankwet dit aandeelhouderschap uitdrukkelijk niet verbiedt. Bovendien zouden de contracten mede zijn ondertekend door de voltallige directie.
De vraag aan het hof is of handelen dat onder de ene wet expliciet is toegestaan (de Bankwet) strafbaar kan worden gesteld onder een andere (de Anti-Corruptiewet), zonder dat een concrete overtreden gedragsnorm wordt aangewezen. Dit raakt aan het legaliteitsbeginsel: mag iets strafbaar zijn dat de wetgever in een ander domein bewust heeft toegelaten?
Rechtsvraag 5: kan ‘witwassen’ als strafbare feitomschrijving bestaan zonder bewezen onderliggend misdrijf?
De circulaire redenering van de aanklacht
De witwasbeschuldiging is volgens de verdediging volledig afgeleid: de banktransacties zouden witwassen zijn omdat de onderliggende contracten misdrijven waren. De verdediging noemt dit een cirkelredenering (petitio principii). De transacties zelf betroffen openbare, directe bankoverschrijvingen.
De vraag aan het hof is of het deze afhankelijke constructie aanvaardt, of dat het eist dat het OM eerst het onderliggende misdrijf (zoals verduistering of corruptie) onafhankelijk en onomstotelijk bewijst, voordat de witwasbeschuldiging relevant kan worden. Een veroordeling op dit punt zou de bewijslast voor het OM in toekomstige complexe zaken aanzienlijk kunnen verlichten.
De uitspraak als spiegel van de rechtsstaat
Deze vijf vragen vormen het kernkader van de zaak. Een beslissing in het voordeel van het OM zou in de praktijk betekenen dat het hof:
- een staatkundige paradox omarmt;
- de grenzen van het strafrecht opschuift richting beleidsmatig terrein;
- deskundige rapportage naast zich neerlegt;
- toegestaan gedrag onder de ene wet als strafbaar onder een andere bestempelt;
- een afhankelijke aanklacht als zelfstandig dragend bewijs accepteert.
Een beslissing in het voordeel van de verdediging zou een andere boodschap onderstrepen: het strafrecht is bedoeld voor misdrijven en niet als instrument om politieke of beleidsmatige geschillen te beslechten. Daarmee zou het hof de scheiding der machten bevestigen en een grens stellen aan de criminalisering van bestuur.
Maandag doet het Hof van Justitie dus niet alleen uitspraak in een hoger beroep. Het antwoordt tegelijk op de vraag welke grenzen de rechtsstaat trekt tussen beleid, bestuur en strafrecht.










