Minister Raymond Landveld kondigt, na overleg met president Jennifer Simons, een vijfjarig digitaliseringstraject voor het openbaar vervoer aan. Dat klinkt modern, maar de kernvraag blijft: pakt dit plan de dagelijkse frustraties van reizigers aan, of leggen we technologie over een systeem dat nog steeds chaotisch functioneert?
De aankondiging van minister Raymond Landveld na zijn overleg met president Jennifer Simons klinkt ambitieus: Suriname zet stappen richting digitalisering van het openbaar vervoer. Digitale betalingen, een centrale database, monitoring van routes en subsidies — het klinkt modern en noodzakelijk. Maar de fundamentele vraag blijft: lossen we hiermee de echte problemen van ons openbaar vervoer op?
Digitalisering is een middel, geen doel op zich. Reizigers kampen dagelijks met praktische problemen: onduidelijke vertrektijden, bussen die stoppen waar het uitkomt, routes die niet logisch aansluiten en lange wachttijden zonder informatie. Voor veel burgers is de grootste frustratie niet dat ze niet digitaal kunnen betalen, maar dat ze niet weten hoe laat de bus komt — of óf die überhaupt komt.
Als we serieus willen moderniseren, moeten we beginnen bij structuur. Komen er vaste dienstregelingen? Worden er officiële bushaltes aangewezen waar bussen verplicht moeten stoppen? Wordt het willekeurig oppikken en afzetten aangepakt? Zonder deze basis blijft digitalisering een laagje technologie over een chaotisch systeem.
Onderhoud staat onder druk
Er is bovendien een bredere realiteit die we niet mogen negeren. Suriname heeft moeite om bestaande vervoersdiensten stabiel te houden. Veerbootdiensten kampen regelmatig met vertragingen door structurele onderhoudstekorten. De nationale luchtvaartmaatschappij Surinam Airways (SLM) worstelt al jaren met operationele en financiële problemen. En wie dagelijks op straat is, ziet dat veel bussen in slechte staat verkeren en zwarte rook uitstoten — een zichtbaar teken van gebrekkig onderhoud en onvoldoende technische controle.
Als basisonderhoud al een uitdaging vormt, dan is het terecht om te vragen hoe een geavanceerd digitaal systeem duurzaam zal functioneren. Technologie kan registreren en monitoren, maar zij vervangt geen goed bestuur, onderhoud en handhaving.
Waar is de NS-partner?
Eerder werd duidelijk gemaakt dat de Nederlandse Spoorwegen (NS) wilde helpen bij de modernisering van het openbaar vervoer in Suriname. Volgens een artikel van Key News wilde de NS bijna kosteloos ondersteuning bieden bij de digitalisering via gesprekken en mogelijke pilotprojecten in Suriname, mits er duidelijkheid was over de uitvoering van het traject.
Opmerkelijk genoeg komt de NS in recente officiële communicatie niet meer voor. Is de NS nog betrokken? Zo niet, waarom niet? Zo ja, wat is de concrete rol en wie financiert welke onderdelen? En wie is de technische partner? Is er een nieuwe partij aangehaakt? Dit soort informatie moet openlijk gecommuniceerd worden en niet achter gesloten deuren blijven.
Wat gaat dit kosten?
Minstens zo belangrijk is het financiële plaatje. Een digitaliseringstraject van vijf jaar, met databanken, monitoring, betaalplatformen en apparatuur in bussen, brengt aanzienlijke kosten met zich mee. De samenleving heeft recht op duidelijke antwoorden:
- Wat is de totale investering?
- Wie betaalt dit project?
- Komt er externe financiering of een leningconstructie bij kijken?
- Zal de reiziger uiteindelijk meer betalen?
- Hoe wordt dit verantwoord richting de burger?
Zonder duidelijke cijfers en open communicatie wekt het plan vooral verwachtingen, maar weinig vertrouwen.
Modernisering vraagt meer dan software
Het is positief dat er wordt gewerkt aan een centrale database en beter toezicht op vergunningen en subsidies. Transparantie is noodzakelijk. Efficiëntie is belangrijk. Maar efficiëntie betekent ook voorspelbaarheid, veiligheid en kwaliteit.
Een modern openbaar vervoerssysteem draait om:
- vaste routes
- duidelijk aangegeven haltes
- betrouwbare dienstregelingen
- technisch veilige voertuigen
- consequente handhaving
Daarnaast moet de sociale dimensie serieus worden genomen. Niet iedereen beschikt over een bankpas of digitale vaardigheden. De toezegging dat de buskaart voorlopig blijft bestaan is verstandig, maar de overgang moet zorgvuldig en inclusief verlopen.
Conclusie
Digitalisering kan een zegen zijn voor het openbaar vervoer in Suriname, maar alleen als het hand in hand gaat met discipline, onderhoud, structuur en transparantie. De samenleving wacht niet op een app alleen. Zij wacht op een bus die op tijd komt, op een vaste plek stopt, veilig rijdt en geen zwarte rook achterlaat.
Zonder duidelijke partners, zonder helder kostenplaatje en zonder zichtbare verbetering op straat, is digitalisering geen hervorming — maar slechts een modern jasje over oude problemen.
En dan praten we nog niet over zorgvervoer voor mensen met een beperking. Daar kom ik een andere keer op terug.





