Achter de stijgende cijfers over zelfdoding en pogingen daartoe gaan persoonlijke verhalen, families en gemeenschappen schuil. Suriname heeft daarom niet alleen behoefte aan betere registratie, maar vooral aan toegankelijke hulpverlening, preventie, nazorg en een beleid dat daadwerkelijk wordt uitgevoerd.
Bij de Spoedeisende Hulp sprak ik met een moeder die wachtte op nieuws over de toestand van haar 24-jarige zoon. De jongeman, afkomstig uit de Marrongemeenschap, had Gramoxone ingenomen.
Zijn moeder begreep niet waarom hij dit had gedaan. Ze wist niet hoe ernstig zijn toestand was en evenmin wat er in haar zoon was omgegaan. Ze kon niets anders doen dan angstig afwachten.
Dat is misschien wel een van de moeilijkste vragen waarmee ouders na een poging tot zelfdoding worden achtergelaten: waarom hebben wij niets gemerkt? Was er verdriet? Waren er problemen? Heeft hij geprobeerd iets te zeggen wat niemand heeft begrepen?
We moeten ervoor waken dat wij zelf antwoorden gaan invullen. Niet iedereen die probeert een einde aan zijn leven te maken, heeft een vastgestelde psychische aandoening. Zelfdoding en pogingen daartoe kunnen samenhangen met verschillende problemen die zich opstapelen, zoals relatieproblemen, financiële zorgen, geweld, alcoholgebruik, psychische nood, eenzaamheid of een acute crisis.
Soms gaat het om een impulsief besluit, waarbij de toegang tot een dodelijk middel het verschil kan maken.
Geen probleem van één bevolkingsgroep
Zelfdoding werd in Suriname lange tijd vooral in verband gebracht met bepaalde bevolkingsgroepen en districten. Daardoor kan het beeld zijn ontstaan dat het binnen andere gemeenschappen vrijwel niet voorkomt.
Het verhaal van deze 24-jarige jongeman uit de Marrongemeenschap laat zien hoe gevaarlijk zulke aannames zijn.
Surinaams onderzoek heeft eerder aangetoond dat het aandeel binnen de gecombineerde groep van Creolen en Marrons toenam. In 2013 behoorde bijna 27 procent van de geregistreerde gevallen tot deze gecombineerde categorie.
Het onderzoek is echter te oud om de huidige situatie te beschrijven. Bovendien werden Creolen en Marrons als één groep geregistreerd. De gegevens kunnen daarom niet worden gebruikt om te stellen dat er momenteel sprake is van een stijging onder Marrons.
Ze tonen wel aan dat zelfdoding nooit als een probleem van slechts één bevolkingsgroep mag worden behandeld.
Actuele cijfers naar bevolkingsgroep ontbreken. Ook weten wij onvoldoende over de situatie in het binnenland. Hoeveel mensen zoeken daar hulp? Is die hulp überhaupt beschikbaar? Kunnen mensen in hun eigen taal over psychische problemen praten? Zijn hulpverleners bekend met de culturele achtergrond en leefomstandigheden van de verschillende gemeenschappen?
Zonder deze informatie kan de overheid geen gericht preventiebeleid voeren.
De cijfers stijgen, maar wat meten wij precies?
Volgens het Korps Politie Suriname werden in januari 2026 vier gevallen van zelfdoding geregistreerd. In februari waren dat er vijf, in maart tien, in april twaalf en in mei veertien.
Dat zijn in totaal 45 geregistreerde gevallen in de eerste vijf maanden van het jaar. Het KPS sprak zelf van een opvallende stijging vanaf maart.
Voor juni meldde de regering 22 gevallen. Daarbij werd echter uitdrukkelijk aangegeven dat zowel zelfdodingen als pogingen tot zelfdoding waren meegeteld.
Wanneer de maandcijfers bij elkaar worden opgeteld, komen wij uit op 67 registraties in de eerste zes maanden van 2026. Daaruit mag echter niet automatisch worden geconcludeerd dat 67 mensen zijn overleden.
De overheid heeft niet duidelijk gemaakt hoeveel van deze registraties voltooide zelfdodingen betroffen en hoeveel betrekking hadden op pogingen.
Dat onderscheid is noodzakelijk.
Hoeveel mensen zijn overleden? Hoeveel mensen hebben een poging overleefd? Hoeveel van hen kregen daarna psychologische begeleiding? Hoeveel mensen hadden eerder een poging gedaan? Wat zijn hun leeftijden, woonplaatsen en sociaaleconomische omstandigheden? Welke middelen werden gebruikt?
Het publiceren van maandelijkse totalen is niet voldoende. Cijfers moeten worden geanalyseerd en vertaald naar preventief beleid. Anders registreren wij alleen achteraf hoeveel mensen in een crisis zijn beland.
Volgens de meest recente beschikbare landendata van de Wereldgezondheidsorganisatie bedroeg de geschatte Surinaamse sterfte door suïcide in 2019 ruim 26 per 100.000 inwoners.
De WHO waarschuwt tegelijkertijd dat de registratie van doodsoorzaken in Suriname niet volledig is en kwaliteitsproblemen kent. Ook internationale cijfers moeten daarom zorgvuldig worden geïnterpreteerd.
Ook hulpverleners kunnen hulp nodig hebben
Op 23 juli werd Suriname opgeschrikt door berichtgeving over een politieagente die samen met haar twee minderjarige kinderen in een auto op de Jules Wijdenboschbrug werd aangetroffen.
Volgens de berichtgeving had zij haar partner laten weten dat zij van plan was een einde aan haar leven te maken. Politiecollega’s grepen in en brachten de situatie onder controle.
Ook bij deze zaak moeten wij voorzichtig zijn met het trekken van conclusies. Wij kennen haar persoonlijke omstandigheden niet.
Het incident maakt echter wel iets anders duidelijk: iemand die beroepsmatig anderen moet beschermen, kan zelf op een moment komen waarop zij bescherming nodig heeft.
Politiemensen, verpleegkundigen, artsen, militairen, brandweerlieden en andere hulpverleners worden regelmatig geconfronteerd met geweld, ongelukken, de dood en menselijk leed. Daarbovenop komen de problemen waarmee ieder ander mens eveneens te maken kan krijgen.
Hebben deze beroepsgroepen structureel toegang tot vertrouwelijke psychologische begeleiding? Worden stress, trauma en burn-outklachten vroegtijdig herkend? Kunnen medewerkers hulp zoeken zonder bang te zijn voor stigmatisering of gevolgen voor hun loopbaan?
Personeelszorg pas inschakelen wanneer een situatie uit de hand dreigt te lopen, is geen preventie.
De beschikbaarheid van landbouwgif is ook beleid
Bij het verhaal van de 24-jarige jongeman kan niet worden voorbijgegaan aan het gebruikte middel.
Gramoxone bevat paraquat, een zeer giftige stof. De WHO stelde in 2024 dat ongeveer twee derde van de zelfdodingen in Suriname verband houdt met zelfvergiftiging door pesticiden.
Daarmee is de beschikbaarheid van landbouwchemicaliën niet alleen een landbouw- of handelskwestie, maar ook een volksgezondheidsvraagstuk.
Wie mag zulke middelen invoeren? Wie mag ze verkopen? Wordt geregistreerd wie ze koopt en in welke hoeveelheid? Hoe worden ze opgeslagen? Kunnen minderjarigen ze aanschaffen? Worden verkopers getraind om zorgwekkend koopgedrag te herkennen? En waarom zijn zeer giftige middelen nog zo gemakkelijk verkrijgbaar?
De Pan-Amerikaanse Gezondheidsorganisatie rapporteerde over 2025 dat ondersteuning was gegeven bij het opstellen van een pesticidenprofiel. Dit moest onder meer de besluitvorming over het uitfaseren van paraquat ondersteunen.
De overheid moet duidelijk maken wat met dat profiel is gedaan en of de uitfasering daadwerkelijk wordt voorbereid.
Het beperken van de toegang tot een dodelijk middel voorkomt niet alle zelfdodingen. Het kan wel tijd creëren: tijd waarin een impuls voorbijgaat, iemand wordt gevonden of hulp kan worden ingeschakeld.
Wij beginnen telkens opnieuw
In mei 2024 kwamen de overheid, PAHO/WHO en verschillende maatschappelijke organisaties bijeen om de preventie van zelfdoding in Suriname te versterken.
Daarbij werd gesproken over samenwerking tussen verschillende sectoren, het beperken van de toegang tot dodelijke middelen, vroegtijdige herkenning en verantwoordelijke communicatie.
In juli 2026 kondigde minister André Misiekaba opnieuw aan dat er een breed samengestelde raad moet komen die het strategisch beleid op het gebied van mentale gezondheid en suïcidepreventie zal uitstippelen.
Volgens de minister zijn bestaande activiteiten versnipperd en moeten organisaties bij elkaar worden gebracht.
Maar wat is er sinds de bijeenkomst van 2024 gebeurd? Welke aanbevelingen zijn uitgevoerd? Is er een nationaal plan vastgesteld? Wie was verantwoordelijk voor de uitvoering? Is er geld beschikbaar gesteld? Welke resultaten zijn gemeten?
Waarom moet in 2026 opnieuw een raad worden opgericht, terwijl twee jaar eerder al werd vastgesteld dat een gezamenlijke aanpak noodzakelijk is?
Suriname heeft geen gebrek aan bijeenkomsten, presentaties, commissies en goede bedoelingen. Wij hebben een gebrek aan uitvoering, continuïteit en meetbare resultaten.
Van crisisopvang naar preventie
Een crisishulplijn is belangrijk, maar een telefoonlijn alleen vormt nog geen nationaal beleid voor mentale gezondheid.
Achter zo’n dienst moeten voldoende getrainde medewerkers staan. Er moet opvang beschikbaar zijn en snelle doorverwijzing kunnen plaatsvinden. Mensen die een poging tot zelfdoding hebben overleefd, moeten actief worden gevolgd en begeleid.
Ook hun ouders, partners en kinderen kunnen ondersteuning nodig hebben.
Preventie moet bovendien beginnen voordat iemand op een brug staat of een giftig middel inneemt.
Dat betekent dat mentale zorg beschikbaar moet zijn op scholen, bij huisartsen, op werkplaatsen en binnen gemeenschappen. Leerkrachten, verpleegkundigen, politieambtenaren, geestelijke leiders en traditionele gezagsdragers moeten signalen leren herkennen.
Zij mogen professionele hulp niet vervangen, maar kunnen er wel aan bijdragen dat iemand eerder naar de juiste hulp wordt begeleid.
Voor het binnenland zijn aangepaste oplossingen nodig. Niet iedereen kan naar Paramaribo reizen voor gesprekken. Niet iedereen spreekt gemakkelijk Nederlands. Ook voelt niet iedereen zich veilig bij een instelling die onvoldoende rekening houdt met cultuur, familieverbanden en de rol van het traditionele gezag.
Achter ieder cijfer staat een familie
De moeder bij de Spoedeisende Hulp wachtte niet op een statistiek. Zij wachtte op nieuws over haar zoon.
Dat persoonlijke verhaal, de berichtgeving over de politieagente en de stijgende maandcijfers mogen niet los van elkaar worden gezien.
Ze laten zien dat mentale nood in alle delen van de samenleving kan voorkomen: onder jongeren en ouderen, mannen en vrouwen, burgers en hulpverleners, in de stad en in het binnenland.
Mentale gezondheid is geen luxe en geen onderwerp dat alleen aandacht verdient wanneer er een calamiteit plaatsvindt. Het is een volksgezondheidsvraagstuk.
De overheid moet daarom niet alleen bekendmaken hoeveel gevallen zijn geregistreerd. Zij moet ook inzichtelijk maken wat zij doet om een volgend geval te voorkomen.
Dat vraagt om betrouwbare cijfers, toegankelijke hulpverlening, controle op gevaarlijke middelen, nazorg na pogingen en beleid dat niet na iedere regeringswisseling opnieuw hoeft te beginnen.
Hulp nodig?
Wie in een crisis verkeert of gedachten aan zelfdoding heeft, kan bellen met de landelijke crisishulplijn via 114.
Kinderen en jongeren kunnen ook contact opnemen met Mi Lijn via 123.
Bij direct gevaar moet onmiddellijk professionele hulp worden ingeschakeld.
Tra Fas’ De
In Tra Fas’ De deelt auteur Gloria Bottse haar visie op maatschappelijke, politieke en bestuurlijke vraagstukken in Suriname. De rubriek biedt ruimte voor kritische duiding, reflectie en opinie, met als doel verdieping te brengen in onderwerpen die de samenleving raken.






