Suriname heeft 2025 afgesloten als een jaar van economische en bestuurlijke transitie, met het einde van het IMF-programma, verkiezingen en de start van een nieuwe regering. Economen wijzen op herstel, maar ook op kwetsbare stabiliteit en groeiende druk op koopkracht en vertrouwen.
Suriname kan 2025 typeren als een jaar waarin meerdere overgangsmomenten samenvielen. Rond maart 2025 werd het IMF Extended Fund Facility (EFF)-programma afgerond, in mei vonden de nationale verkiezingen plaats en in de tweede helft van het jaar trad een nieuwe regering aan onder leiding van de eerste vrouwelijke president, dokter Jennifer Geerlings-Simons.
In economisch opzicht markeerde 2025 daarmee de verschuiving van crisismanagement en herstel naar een fase waarin Suriname steeds meer op eigen kracht richting moet geven aan het economisch en institutioneel beleid. Het IMF-traject geldt volgens de Vereniging van Economisten in Suriname (VES) als een belangrijke mijlpaal, omdat het heeft bijgedragen aan macro-economische stabiliteit, het terugdringen van monetaire financiering, schuldherstructurering en het versterken van beleidskaders voor monetair en begrotingsbeleid.
Tegelijkertijd benadrukken economen dat het einde van het IMF-programma geen eindpunt is, maar het begin van een grotere eigen verantwoordelijkheid. In de aanloop naar de verkiezingen nam het financieringstekort snel toe, kasbuffers slonken en ontstond opnieuw inflatoire druk, met ook opwaartse druk op de wisselkoers. Dit onderstreept volgens de VES hoe kwetsbaar stabiliteit blijft zolang begrotingsdiscipline en institutionele verankering niet stevig zijn ingebed.
Gemengd economisch beeld en sociale druk
De terugblik over 2025 schetst een gemengd beeld. Aan de ene kant werd groei voortgezet en werden beleidskaders verder opgebouwd. Aan de andere kant ontstond opnieuw inflatiedruk, verslechterde de primaire balans en bleef het herstel van koopkracht traag, wat de sociale spanning vergrootte. De kernles die economen trekken: wat met veel inspanning is opgebouwd om uit de crisis te komen, mag in verkiezingsjaren niet opnieuw verloren gaan.
Schuldtransparantie en vragen rond herstructurering
De binnenlandse en buitenlandse schuldpositie blijft een aandachtspunt. Transparantie wordt daarbij als randvoorwaarde genoemd voor vertrouwen. In dit verband wordt ook gewezen op de schuldherschikking met de Bank of America, waarover volgens de analyse in eerste instantie beperkte openheid bestond. Hoewel later informatie is gedeeld, zouden er nog vragen leven over het aangepaste aflossingsschema, de resterende VRI-druk en de omvang en besteding van netto aangetrokken middelen.
Vooruitblik 2026: consolideren en vertrouwen herstellen
Voor 2026 ziet de VES een tweesporenrealiteit. Vergeleken met de crisisjaren 2020–2021 is er meer macro-economische rust, maar de sociaaleconomische druk blijft hoog. Koopkracht is kwetsbaar, armoedestress is voelbaar en het vertrouwen van burgers en ondernemers moet verder worden hersteld. De grootste uitdagingen zijn daarom niet alleen economisch-technisch, maar ook institutioneel en sociaal: stabiliteit moet merkbaar doorwerken naar huishoudens.
Olie en gas: kansen benutten zonder te forceren
2026 wordt gezien als een jaar waarin Suriname zich concreet moet voorbereiden op olie en gas richting 2028. Governance, lokale participatie en absorptiecapaciteit bepalen of de sector een zegen wordt of een valkuil. Tegelijkertijd kunnen investeringen rond olie en gas al vóór 2028 spill-over effecten opleveren voor logistiek, zakelijke dienstverlening, bouw en toerisme. Daarvoor is volgens economen nodig dat knelpunten actief worden weggenomen, vergunningverlening wordt versneld en lokale ondernemers beter worden ondersteund om aan te haken bij nieuwe waardeketens.
Arbeidsmarkt en opleiding als sleutel
Naast de olie- en gassector wordt gewezen op het vergroten van de productieve capaciteit via investeringen in landbouw en agro-processing, en het versterken van de dienstensector, inclusief financiële en kennisintensieve diensten. Op de arbeidsmarkt is versnelling noodzakelijk met praktijkgerichte opleidingen, publiek-private samenwerking en gerichte training, zodat Surinamers voorbereid zijn op nieuwe kansen en buitenlandse arbeidskrachten lokale banen niet structureel verdringen.
Beheer van olie-inkomsten vraagt strengere spelregels
Met het oog op 2028 stellen economen dat extra inkomsten geen ruimte mogen creëren voor vrijblijvendheid, maar juist de verantwoordelijkheid vergroten. Internationale ervaringen laten volgens de VES zien dat landen vaker struikelen door zwak beheer en gebrekkige verantwoording dan door een gebrek aan middelen. In de analyse wordt ook verwezen naar recente berichtgeving rond parastatale bedrijven als signaal dat er een integriteitsprobleem bestaat. Daarom zou 2026 het jaar moeten zijn waarin spelregels voor het beheer van olie-inkomsten ondubbelzinnig worden vastgelegd én nageleefd, met duidelijke stort- en onttrekkingsregels en regelmatige, openbare rapportage.
2026 als moreel en economisch ijkpunt
De slotboodschap richting beleid en samenleving is dat de keuzes van nu bepalen of olie-inkomsten vanaf 2028 brede welvaart ondersteunen of juist nieuwe kwetsbaarheid creëren. Dat vraagt om consistent beleid over politieke cycli heen, sterke instituties en publieke verantwoording, zodat vertrouwen bij burgers, ondernemers en investeerders kan groeien.
Sleutelwoorden: Suriname 2025, IMF EFF, macro-economische stabiliteit, begrotingsdiscipline, inflatie, wisselkoers, schuldherstructurering, Bank of America, VRI, koopkracht, armoede, institutionele versterking, olie en gas 2028, transparantie, governance, lokale participatie, arbeidsmarkt, vaktraining, Vereniging van Economisten in Suriname.










