Suriname bevindt zich op een cruciaal kantelpunt. Dat stelde Steven Debipersad, voorzitter van de Vereniging van Economisten in Suriname (VES), donderdagavond tijdens de nieuwjaarsreceptie van de vereniging. In zijn toespraak blikte hij terug op 2025 als een jaar van economische en bestuurlijke transitie en noemde hij 2026 “beslissend” voor duurzame ontwikkeling.
Volgens Debipersad kwamen in 2025 meerdere fundamentele overgangsmomenten samen. Hij wees onder meer op de afronding van het IMF Extended Fund Facility-programma rond maart, de nationale verkiezingen in mei en de start van een nieuwe regering onder leiding van de eerste vrouwelijke president van Suriname, Jennifer Simons. De president was eregast op de receptie.
De afronding van het IMF-programma noemde Debipersad een belangrijke mijlpaal. Volgens hem droeg het traject aantoonbaar bij aan macro-economische stabilisatie, het terugdringen van monetaire financiering, schuldherstructurering en de versterking van beleidskaders voor monetair en begrotingsbeleid.
Einde IMF-traject vraagt eigen verantwoordelijkheid
Debipersad benadrukte dat het einde van het IMF-traject geen eindpunt vormt, maar het begin van grotere eigen verantwoordelijkheid. In de aanloop naar de verkiezingen werd volgens hem opnieuw zichtbaar hoe kwetsbaar de stabiliteit blijft, met toenemende financieringstekorten, afnemende kasbuffers, hernieuwde inflatoire druk en opwaartse druk op de wisselkoers. Dat onderstreept volgens hem hoe fragiel stabiliteit is zolang begrotingsdiscipline en institutionele verankering niet stevig zijn ingebed.
Begrotingsdiscipline in verkiezingsjaren
De VES-voorzitter wees op de politieke cyclus als structureel risico. Democratische processen zijn essentieel voor legitimiteit, maar verkiezingsjaren mogen volgens hem niet telkens leiden tot macro-economische ontsporing. Als Suriname duurzaam wil profiteren van toekomstige olie-inkomsten, moet het land volgens Debipersad leren omgaan met verkiezingsjaren zonder steeds terug te vallen in onzekerheid en spanningen.
Nieuwe bestuurlijke fase en uitvoering onder druk
Met de installatie van de nieuwe regering in de tweede helft van 2025 brak volgens Debipersad een nieuwe bestuurlijke fase aan, in een context van hoge maatschappelijke verwachtingen en beperkte begrotingsruimte. Positief noemde hij dat er brede erkenning is voor institutionele versterking, transparantie en investeringen in menselijk kapitaal. De uitdaging ligt volgens hem vooral in consistente uitvoering, juist wanneer politieke en maatschappelijke druk toeneemt.
Transparantie over schuldafspraken
Ook de schuldpositie van Suriname blijft volgens Debipersad een punt van zorg. Transparantie is daarbij, zei hij, geen keuze, maar een randvoorwaarde voor vertrouwen. Hij verwees naar de schuldherschikking met Bank of America, die volgens hem tot stand kwam in beperkte openheid. Hoewel later informatie is gedeeld, blijven er vragen bestaan over het aangepaste aflossingsschema, de resterende VRI-druk en de aanwending van de netto aangetrokken middelen.
Tweesporenrealiteit richting 2026
Economisch liet 2025 volgens Debipersad een gemengd beeld zien. Naast groei en sterkere beleidskaders sprak hij over hernieuwde inflatiedruk, verslechtering van de primaire balans en sociale spanning door vertraagd koopkrachtherstel. Voor 2026 schetste hij een “tweesporenrealiteit”: meer macro-economische rust dan in de crisisjaren 2020–2021, maar aanhoudend hoge sociaaleconomische druk. Koopkracht blijft kwetsbaar en het vertrouwen van burgers en ondernemers moet verder worden hersteld.
Voorbereiding op olie en gas
Debipersad stelde dat stabiliteit merkbaar moet doorwerken naar huishoudens en dat groei productief moet zijn: gebaseerd op investeringen, export en werkgelegenheid, niet op consumptie of monetaire verruiming. Tegelijkertijd moet Suriname zich zorgvuldig voorbereiden op de olie- en gassector. Governance, lokale participatie en absorptiecapaciteit zullen volgens hem bepalen of de sector een zegen wordt of een valkuil.
Hij wees op kansen die zich al vóór 2028 kunnen voordoen, doordat investeringen rond olie en gas spill-overeffecten kunnen hebben in onder meer logistiek, zakelijke dienstverlening, bouw en toerisme. Dat vraagt volgens hem om actief beleid, snelle vergunningverlening en ondersteuning van lokale ondernemers. Daarnaast pleitte hij voor investeringen in landbouw, agro-processing en de dienstensector om de productieve capaciteit van de economie te vergroten.
2026 als jaar van verankering
Volgens Debipersad vergroten toekomstige olie-inkomsten niet de ruimte voor vrijblijvendheid, maar juist de verantwoordelijkheid. Internationale ervaring laat volgens hem zien dat landen vaker falen door zwak beheer en gebrekkige verantwoording dan door een gebrek aan middelen. Begrotingsdiscipline, transparantie en onafhankelijke controle zijn, stelde hij, de kern van economisch vertrouwen.
De VES-voorzitter riep op om 2026 te maken tot het jaar waarin spelregels worden verankerd, instituties worden versterkt en vertrouwen wordt opgebouwd. Als Suriname erin slaagt inkomsten te koppelen aan goed beheer en kansen aan verantwoording, kan het land volgens hem niet alleen economisch groeien, maar ook als samenleving sterker worden.












