De DNA-leden Ameerani Jarbandhan en Rawien Raghoenandan hebben hun verbazing uitgesproken over de manier waarop binnen De Nationale Assemblée wordt omgegaan met de positie van de procureur-generaal.
Aanleiding is de reactie vanuit delen van het parlement op het besluit van procureur-generaal Garcia Paragsingh om niet fysiek te verschijnen voor de parlementaire commissie die belast is met het horen van politieke ambtsdragers.
Paragsingh had in een brief aan commissievoorzitter Rabin Parmessar laten weten dat het Openbaar Ministerie alle noodzakelijke informatie reeds heeft verstrekt in de vorderingen tot in staat van beschuldigingstelling van drie voormalige bewindslieden: Riad Nurmohamed, Bronto Somohardjo en Gillmore Hoefdraad. Indien de commissie nog aanvullende vragen heeft, is het OM bereid die schriftelijk te beantwoorden, voor zover deze binnen het wettelijk kader vallen.
Volgens Jarbandhan en Raghoenandan wordt het ambt van de procureur-generaal “te lichtelijk” genomen. Zij vinden dat vooral leden van de paarse partij, die momenteel deel uitmaakt van de coalitie, zich te fel hebben uitgelaten over de houding van de PG.
Binnen de coalitie werd gesteld dat het voor het eerst is dat een instituut een uitnodiging van het parlement in zekere zin naast zich neerlegt. Ook werd gesproken van een mogelijke “desavouering van het hoogste college van de staat”. Jarbandhan en Raghoenandan noemen die benadering onterecht en hypocriet.
Volgens Jarbandhan bestaan er duidelijke mogelijkheden voor instituten die door DNA of een parlementaire commissie worden benaderd. Zij kunnen fysiek verschijnen, maar ook schriftelijk reageren. Dat de procureur-generaal ervoor heeft gekozen om haar standpunt schriftelijk toe te lichten, betekent volgens haar niet dat zij het parlement niet respecteert.
De twee parlementariërs wijzen erop dat de kritiek op de PG in schril contrast staat met de houding tegenover de president. Volgens hen heeft DNA op grond van artikel 86 van het Reglement van Orde het recht om vragen te stellen aan de president van Suriname. Toch zou de president volgens hen niet of onvoldoende reageren op vragen vanuit het parlement.
“Als men spreekt van desavouering, dan moet men ook naar de president kijken,” stellen Jarbandhan en Raghoenandan. Zij benadrukken dat zowel de procureur-generaal als de president het recht hebben om schriftelijk te reageren op vragen. Het verschil is volgens hen dat vanuit de rechterlijke macht ten minste nog inhoudelijk en schriftelijk wordt gereageerd, terwijl de president volgens hen structureel in gebreke blijft.
Met hun reactie willen Jarbandhan en Raghoenandan duidelijk maken dat de discussie over de afwijzing van de uitnodiging door de PG niet los kan worden gezien van de bredere verhouding tussen het parlement en andere staatsinstituties. Volgens hen moet daarbij consequent worden gekeken naar alle gezagsdragers en niet alleen naar de procureur-generaal.




