Kritiek op de regering, afwijkende politieke opvattingen of actieve deelname aan discussies op sociale media mogen op zichzelf geen aanleiding vormen voor digitaal politieonderzoek.
Lalmahomed benadrukt dat de modernisering van het strafprocesrecht noodzakelijk is om criminaliteit effectiever te bestrijden. Steeds vaker bevindt bewijsmateriaal zich op mobiele telefoons, computers, servers en digitale communicatieplatformen. Volgens hem moet Suriname daarom beschikken over adequate wettelijke instrumenten om strafbare feiten te onderzoeken. Tegelijkertijd waarschuwt hij dat uitbreiding van opsporingsbevoegdheden gepaard moet gaan met duidelijke wettelijke grenzen en effectieve controle.
“Een wet is niet goed, omdat zij de overheid méér bevoegdheden geeft. Een wet is goed wanneer zij de juiste bevoegdheden geeft, onder duidelijke voorwaarden, met effectieve controle en met voldoende bescherming tegen misbruik”, stelt Lalmahomed.
Politieke meningen mogen geen grond zijn voor onderzoek
Een belangrijk aandachtspunt in zijn betoog is de bescherming van burgers die zich kritisch uitlaten over politieke en maatschappelijke ontwikkelingen. Volgens Lalmahomed moeten jongeren en andere burgers erop kunnen vertrouwen dat opsporingsbevoegdheden uitsluitend worden ingezet op basis van concrete verdenkingen en wettelijke criteria.
“Kritiek op de regering is op zichzelf geen strafbaar feit. Een afwijkende mening is geen bewijs van criminaliteit. En een actieve aanwezigheid op sociale media is geen vrijbrief voor een onbeperkt onderzoek naar iemands privéleven”, benadrukt hij.
De parlementariër vindt dat deze bescherming niet alleen van belang is voor jongeren die zich politiek uitspreken, maar voor iedereen die vrij wil kunnen communiceren binnen een democratische samenleving.
Met zijn opmerkingen vraagt hij aandacht voor het risico dat ingrijpende digitale opsporingsbevoegdheden onvoldoende worden begrensd. Uit het betoog blijkt niet dat hij concrete gevallen van politiek gemotiveerd digitaal politieonderzoek aanhaalt. Zijn waarschuwing richt zich vooral op de wettelijke waarborgen die misbruik moeten voorkomen.
Ook gegevens van onschuldige burgers kunnen worden onderzocht
Lalmahomed wijst daarnaast op de gevolgen die digitaal politieonderzoek kan hebben voor personen die zelf nergens van worden verdacht. Wanneer bijvoorbeeld een telefoon, laptop of bedrijfsserver wordt onderzocht, kunnen ook privégesprekken, foto’s en andere persoonlijke gegevens van derden zichtbaar worden.
Volgens hem moet daarom duidelijk zijn welke informatie opsporingsdiensten mogen onderzoeken, hoe lang gegevens mogen worden bewaard en welke mogelijkheden burgers hebben om onrechtmatig optreden aan te vechten.
Hij vraagt de regering onder meer of burgers achteraf kunnen worden geïnformeerd wanneer hun gegevens tijdens een strafrechtelijk onderzoek zijn verzameld. Ook wil hij weten of betrokkenen onnodig bewaarde persoonsgegevens kunnen laten verwijderen.
“Rechtsbescherming mag niet alleen bestaan voor mensen die over voldoende geld beschikken om juridische bijstand te betalen of die precies begrijpen wat er technisch met hun gegevens is gebeurd”, stelt Lalmahomed.
Hij benadrukt dat de rechtsstaat ook bescherming moet bieden aan burgers die hun rechten onvoldoende kennen.
Bijzondere aandacht voor jongeren
In zijn betoog staat Lalmahomed ook stil bij de positie van minderjarigen. Hij wijst erop dat een groot deel van hun sociale leven zich tegenwoordig digitaal afspeelt. Telefoons bevatten niet alleen persoonlijke informatie, maar ook gesprekken en afbeeldingen van vrienden, klasgenoten en familieleden.
Wanneer een jongere verdachte is in een strafrechtelijk onderzoek, mag dat volgens hem niet automatisch betekenen dat de persoonlijke gegevens van tientallen anderen onbeperkt kunnen worden onderzocht.
De parlementariër vraagt daarom welke bijzondere wettelijke waarborgen gelden wanneer minderjarigen direct of indirect betrokken raken bij digitale opsporing.
Tegelijkertijd erkent hij dat jongeren beschermd moeten worden tegen cyberpesten, bedreigingen, digitale fraude, afpersing en de ongeoorloofde verspreiding van persoonlijke beelden. Ook jongeren die zelf strafbare feiten plegen, moeten volgens hem kunnen worden aangepakt.
Duidelijke grenzen en rechterlijke controle
Lalmahomed wil van de regering weten onder welke omstandigheden voor digitaal politieonderzoek voorafgaande rechterlijke toestemming vereist is. Ook vraagt hij hoe wordt gecontroleerd dat opsporingsdiensten binnen de grenzen van een verleende machtiging blijven.
Verder pleit hij voor duidelijke regels over de beveiliging, bewaring, vernietiging en het hergebruik van digitale gegevens.
Volgens hem moet ook de betrouwbaarheid van digitaal bewijsmateriaal gewaarborgd zijn en moet de verdediging de mogelijkheid hebben om dit bewijsmateriaal te controleren.
Daarnaast stelt hij voor om te overwegen de nieuwe opsporingsbevoegdheden na bijvoorbeeld twee jaar te evalueren. De Nationale Assemblée zou dan kunnen nagaan hoe vaak de bevoegdheden zijn ingezet, welke onregelmatigheden zijn vastgesteld en of de wettelijke bescherming in de praktijk voldoende functioneert.
Geen verzet tegen modernisering
Lalmahomed maakt duidelijk dat zijn kritische houding niet betekent dat hij tegen uitbreiding of modernisering van de opsporingsmogelijkheden is. Hij erkent dat de overheid voldoende instrumenten nodig heeft om slachtoffers te beschermen en criminaliteit effectief te bestrijden.
Wel vindt hij dat veiligheid en privacy niet tegenover elkaar mogen worden geplaatst.
“Veiligheid en privacy zijn geen tegenpolen. Een goed functionerende rechtsstaat beschermt burgers tegen criminaliteit én tegen onrechtmatig overheidsoptreden”, aldus Lalmahomed.
Hij benadrukt bereid te zijn mee te werken aan wetgeving die de opsporing versterkt, mits de bevoegdheden duidelijk worden begrensd en burgers voldoende rechtsbescherming genieten.
Zijn betoog sluit hij af met de boodschap: “Een sterke rechtsstaat wordt niet gemeten aan de hoeveelheid macht die de overheid bezit, maar aan de wijze waarop zij die macht gebruikt en begrenst.”









