VHP-assembleelid Krishna Mathoera wil dat er duidelijke wettelijke grenzen komen aan de duur van stelselmatige observatie en het heimelijk opnemen van vertrouwelijke gesprekken door opsporingsdiensten. Volgens haar biedt de voorgestelde wijziging van het Wetboek van Strafvordering onvoldoende bescherming tegen langdurige inbreuken op de privacy van burgers. Doordat een maximale totale duur ontbreekt, zouden personen in theorie jarenlang kunnen worden gevolgd.
Mathoera uitte haar bezorgdheid op donderdag 15 oktober tijdens de behandeling van de wetswijziging in De Nationale Assemblée (DNA). Het wetsvoorstel regelt onder meer onder welke voorwaarden opsporingsdiensten communicatie mogen onderscheppen en gegevens over telecomgebruikers kunnen opvragen in het kader van strafrechtelijke onderzoeken.
Volgens Mathoera kan een bevel tot stelselmatige observatie voor maximaal drie maanden worden afgegeven. Daarna kan het bevel telkens met maximaal drie maanden worden verlengd. Omdat er geen wettelijke eindtermijn is vastgesteld, bestaat volgens haar het risico dat burgers gedurende een zeer lange periode worden gevolgd.
Privacy van burgers onder druk
Het assembleelid benadrukte dat er een belangrijk verschil bestaat tussen gewone politieobservatie en het langdurige, systematische volgen van personen. Wanneer iemand gedurende langere tijd wordt gevolgd, eventueel met behulp van technische hulpmiddelen zoals gps-trackers, kunnen opsporingsdiensten gedetailleerde informatie verzamelen over diens privéleven.
Zo kan worden vastgesteld waar iemand zich regelmatig bevindt, welke personen worden bezocht en hoe dagelijkse activiteiten verlopen. Volgens Mathoera kan hierdoor een vrijwel volledig beeld van het persoonlijke leven van een burger ontstaan.
Zij vindt daarom dat bij iedere verlenging kritisch moet worden beoordeeld of de observatie nog noodzakelijk is en in verhouding staat tot het doel van het strafrechtelijk onderzoek. Mathoera wil weten wie verantwoordelijk is voor deze toetsing en welke waarborgen er zijn om te voorkomen dat opsporingsdiensten telkens opnieuw toestemming krijgen zonder voldoende onderbouwing.
Ook niet-verdachte burgers kunnen worden gevolgd
VHP-parlementariër Dew Sharman sloot zich aan bij de zorgen over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Hij wees erop dat volgens de memorie van toelichting ook personen die niet rechtstreeks als verdachte worden aangemerkt, onderwerp van stelselmatige observatie kunnen zijn.
Sharman pleitte ervoor om duidelijk in de wet vast te leggen onder welke concrete omstandigheden dergelijke observatie is toegestaan. Wanneer de wettelijke grondslag of noodzaak vervalt, moet de observatie volgens hem worden beëindigd.
Daarnaast vindt hij dat verlengingen aan onafhankelijke controle moeten worden onderworpen. Hij waarschuwde voor de verstrekkende gevolgen die langdurige observatie kan hebben voor burgers die mogelijk geen enkele betrokkenheid hebben bij een strafbaar feit.
Ook geheime geluidsopnamen aan banden leggen
Mathoera vroeg eveneens aandacht voor het heimelijk opnemen van vertrouwelijke communicatie in woningen en voertuigen. Volgens haar kan op basis van de voorgestelde regeling toestemming worden verleend voor een periode van dertig dagen, waarna steeds een verlenging van dertig dagen mogelijk is. Ook voor deze opsporingsmethode ontbreekt volgens haar een maximale totale duur. Zij stelde daarom voor een wettelijke grens van bijvoorbeeld vijf of zes maanden vast te leggen.
Het assembleelid benadrukte dat dergelijke opnamen niet uitsluitend betrekking hebben op verdachten. Ook gesprekken van familieleden, bezoekers en andere aanwezigen kunnen worden vastgelegd, waardoor de privacy van derden wordt geraakt.
Duidelijkheid geëist over verwijderen afluisterapparatuur
Een ander aandachtspunt is het verwijderen van heimelijk geplaatste opnameapparatuur. Mathoera wil dat de wet duidelijk bepaalt wanneer deze apparatuur moet worden weggehaald en onder welke voorwaarden opsporingsambtenaren opnieuw een woning of andere besloten ruimte mogen betreden om de apparatuur te verwijderen. Volgens haar moet worden voorkomen dat technische hulpmiddelen blijven functioneren nadat de noodzaak voor het onderzoek is komen te vervallen.








