De aanhoudende crisis rond Iran en de Straat van Hormuz zet de wereldeconomie steeds verder onder druk. Hoewel de Amerikaanse president Donald Trump dinsdag aankondigde dat hij een geplande aanval op Iran twee weken wil opschorten, blijft de onzekerheid op de energiemarkt groot. De tijdelijke adempauze heeft de spanning niet weggenomen, omdat de doorvaart door Hormuz nog steeds het centrale twistpunt blijft.
Voor de oliemarkt zijn de gevolgen al duidelijk zichtbaar. Reuters meldde dinsdag dat fysieke olieprijzen door de verslechterde situatie rond Hormuz richting 150 Amerikaanse dollar per vat zijn gestegen. Volgens datzelfde bericht is ongeveer 12 miljoen vaten olie per dag geraakt door verstoringen, goed voor circa 12 procent van het mondiale aanbod. Brent-futures stegen tot boven 119 dollar per vat, terwijl de prijzen voor directe fysieke leveringen nog veel harder opliepen.
De Straat van Hormuz is van strategisch belang voor de wereldeconomie. Volgens AP passeert ongeveer een vijfde van de mondiale olie deze zeestraat. Zodra die route onder druk komt te staan, reageren markten vrijwel onmiddellijk met hogere energieprijzen, duurdere verzekeringen en extra onzekerheid over leveringen. Dat verklaart waarom regeringen, beleggers en grote energieverbruikers de ontwikkelingen in het Midden-Oosten momenteel op de voet volgen.
Internationale instellingen waarschuwen inmiddels openlijk voor bredere economische schade. Wereldbank-president Ajay Banga zei dinsdag dat de oorlog zal leiden tot tragere groei en hogere inflatie, zelfs als het conflict relatief snel afneemt. Volgens hem kan de wereldgroei met 0,3 tot 1 procentpunt terugvallen, terwijl de inflatie met maximaal 0,9 procentpunt kan oplopen. Ook IEA-chef Fatih Birol noemde de huidige olie- en gascrisis ernstiger dan die van 1973, 1979 en 2022 samen, juist omdat energieprijzen nu tegelijk druk zetten op brandstof, voedsel en productie.
De impact beperkt zich niet tot tankstations of elektriciteitsrekeningen. Hogere olieprijzen werken door in vrijwel de hele productieketen. Reuters bericht dat energie-importerende economieën in Azië al te maken hebben met duurdere invoer, zwakkere valuta en een hogere inflatiedruk. In sommige landen wordt zelfs rekening gehouden met overheidsingrijpen om wisselkoersen en energievoorziening te ondersteunen. De vrees is dat een langdurige verstoring kan uitmonden in een combinatie van hoge prijzen en afzwakkende groei, een scenario dat economen omschrijven als stagflatoire druk.
Ook de luchtvaart voelt de gevolgen. Reuters meldde dat de prijs van kerosine sinds februari fors is gestegen, waardoor luchtvaartmaatschappijen in Azië vluchten schrappen, extra brandstof meenemen en routes aanpassen. In de Verenigde Staten hebben maatschappijen als Delta en Southwest zelfs hun bagagekosten verhoogd om de hogere brandstofrekening op te vangen. Dat laat zien dat de oliecrisis niet alleen de energiesector raakt, maar ook reizen, logistiek en uiteindelijk de consument.
De maritieme sector staat eveneens onder zware druk. Oorlogsrisicopremies voor scheepvaart in de Golfregio zijn volgens Reuters met tot wel 1000 procent gestegen. Zulke stijgingen maken transport duurder en verhogen de kans dat die extra kosten later worden doorberekend in de prijs van goederen. Daarmee groeit het risico dat de Iran-crisis niet alleen leidt tot tijdelijke nervositeit op de markten, maar ook tot een bredere en langdurigere kostenstijging in de wereldeconomie.
Hoewel de markten kortstondig reageerden op Trumps besluit om aanvallen twee weken op te schorten, blijft het onderliggende probleem overeind: zolang er geen duurzame oplossing is voor de spanningen rond Iran en de Straat van Hormuz, blijft de kans op nieuwe prijsschokken groot. Voor importafhankelijke landen en consumenten wereldwijd betekent dat vooral één ding: meer onzekerheid over brandstofprijzen, transportkosten en de algemene kosten van levensonderhoud.


