De internationale olieprijs is donderdag met ongeveer 7 procent gestegen en boven US$ 100 per vat gesloten, nadat Houthi-strijders twee Saudi-Arabische olietankers in de Rode Zee hadden aangevallen. Vrijdag zakte de prijs weer tot ongeveer US$ 96, maar de aanhoudende oorlog rond Iran en verstoringen bij twee belangrijke scheepvaartroutes blijven zorgen voor grote onzekerheid op de energiemarkt.
De prijs van Brentolie, die internationaal als belangrijke maatstaf wordt gebruikt, steeg donderdag met US$ 6,62 tot US$ 100,69 per vat. Het was de eerste keer sinds mei dat Brent boven US$ 100 sloot. De Amerikaanse oliesoort West Texas Intermediate steeg met 6,2 procent tot US$ 92,19 per vat. Vrijdag werd een deel van die stijging weer ingeleverd en noteerde Brent rond US$ 96.
De directe aanleiding voor de sterke prijsstijging waren aanvallen op de Saudi-Arabische olietankers Encelia en Layla. De Houthi-beweging in Jemen zegt de schepen met raketten en drones te hebben aangevallen. De Saudi-Arabische autoriteiten bevestigden dat op een van de tankers brand was uitgebroken nadat het vaartuig in de Rode Zee was getroffen.
De aanvallen vonden plaats in de omgeving van de strategische zeestraat Bab el-Mandeb, die de Rode Zee met de Golf van Aden verbindt. De Houthi’s hadden eerder aangekondigd een blokkade te willen instellen tegen schepen die olie uit Saudi-Arabië vervoeren. Verschillende tankers hebben daarop hun koers gewijzigd om het gebied te vermijden. Een alternatieve vaarroute rond Afrika is aanzienlijk langer en kan leiden tot hogere verzekerings-, brandstof- en transportkosten.
De dreiging bij Bab el-Mandeb komt bovenop de ernstige verstoringen in de Straat van Hormuz. Deze zeestraat tussen Iran en Oman geldt als een van de belangrijkste doorgangen voor olie en gas ter wereld. Het normale scheepvaartverkeer is door Iraanse aanvallen en militaire operaties vrijwel tot stilstand gekomen. Volgens persbureau Reuters vervoeren de Straat van Hormuz en Bab el-Mandeb samen het equivalent van ongeveer een kwart van de mondiale olievoorziening.
De Verenigde Staten hebben intussen voor de dertiende achtereenvolgende nacht aanvallen uitgevoerd op doelen in Iran. Volgens het Amerikaanse Central Command duurde de jongste operatie meer dan twee uur. Daarbij zouden onder meer militaire commandocentra, opslagplaatsen voor drones, communicatienetwerken, kustbewakingsinstallaties en maritieme capaciteiten zijn aangevallen.
Iran voerde vrijdag op zijn beurt aanvallen uit op locaties rond de Perzische Golf waar Amerikaanse militairen zijn gestationeerd. Onder meer in het Noord-Iraakse Irbil werden explosies gemeld. Ook Bahrain en Jordanië verklaarden dat zij Iraanse luchtaanvallen hadden onderschept. De strijdende partijen tonen vooralsnog geen tekenen dat zij hun militaire acties willen verminderen.
De internationale bezorgdheid richt zich niet alleen op de militaire escalatie, maar ook op de gevolgen voor de wereldeconomie. Wanneer tankers belangrijke vaarroutes moeten vermijden, nemen de kosten voor transport en verzekering toe. Langdurige verstoringen kunnen daarnaast leiden tot tekorten aan ruwe olie en geraffineerde brandstoffen, waardoor prijzen bij raffinaderijen en uiteindelijk aan de pomp verder kunnen stijgen.
Mogelijke gevolgen voor Suriname
Ook Suriname kan de gevolgen van een langdurig hoge olieprijs merken. Hogere internationale prijzen kunnen doorwerken in de kosten van geïmporteerde brandstoffen, goederenvervoer, luchtvaart en scheepvaart. Ondernemers kunnen hogere transportkosten vervolgens verwerken in de prijzen van levensmiddelen en andere producten.
Ook de elektriciteitssector kan onder druk komen te staan. Suriname maakt naast waterkracht gebruik van thermische elektriciteitsopwekking. In officiële Surinaamse klimaat- en energieplannen wordt gewezen op de financiële druk van elektriciteitssubsidies en brandstofkosten die samenhangen met internationale importprijzen.
Hoe snel een stijging van de olieprijs wordt doorberekend aan consumenten, hangt echter af van het overheidsbeleid, subsidies en de manier waarop brandstofprijzen worden vastgesteld. De regering heeft per 18 maart 2026 een maximumprijs (price cap) ingevoerd op brandstof om de prijzen voor de burgers stabiel te houden. De vastgestelde prijzen per liter zijn SRD 53,27 voor diesel en SRD 48,32 voor reguliere unleaded benzine. Dit wordt vooralsnog aangehouden door de regering.
Tegelijkertijd kan een hogere olieprijs op langere termijn gunstig uitpakken voor de verwachte inkomsten uit de Surinaamse oliesector. De eerste offshoreolie uit het GranMorgu-project wordt in 2028 verwacht. Het project moet uiteindelijk ongeveer 220.000 vaten per dag produceren. Hogere olieprijzen kunnen de waarde en winstgevendheid van de productie vergroten, maar de daadwerkelijke inkomsten voor de staat zullen afhangen van productievolumes, contractuele afspraken, investeringskosten en de olieprijs op het moment dat de productie begint.
Voor Suriname ontstaat daardoor een dubbele situatie: op korte termijn kunnen hoge olieprijzen leiden tot duurdere brandstof, transport en elektriciteitsproductie, terwijl het land op langere termijn mogelijk meer inkomsten kan ontvangen uit zijn eigen olieproductie.
De ontwikkeling van de olieprijs blijft sterk afhankelijk van het verloop van de oorlog, de veiligheid in de Straat van Hormuz en Bab el-Mandeb en eventuele diplomatieke pogingen om het conflict te beëindigen.








