Het Huis Oranje-Nassau heeft eeuwenlang het Nederlandse kolonialisme en de slavernij gesteund en financieel geprofiteerd van koloniale activiteiten. De invloed van de Oranjes op het koloniale beleid was echter meestal beperkt. Dat concludeert een onderzoekscommissie die op verzoek van koning Willem-Alexander de koloniale geschiedenis van zijn familie onderzocht, meldt de NOS.
Volgens hoofdonderzoeker Gert Oostindie waren de stadhouders, koningen en koninginnen tot en met koningin Wilhelmina overtuigd van de legitimiteit van het kolonialisme. Zij beschouwden koloniale oorlogen en de gewelddadige onderdrukking van opstanden als gerechtvaardigd. Tot het aantreden van koningin Juliana in 1948 klonk vanuit het koningshuis geen kritiek op het koloniale systeem en werd niet aangedrongen op een andere koers.
De onderzoekers stellen dat de Oranjes daarmee medeverantwoordelijk waren voor het kolonialisme. Ook wanneer zij weinig directe zeggenschap hadden, droegen zij bij aan de aanvaarding en rechtvaardiging ervan, zowel in Nederland als in de koloniën.
Willem I had grote invloed
Koning Willem I vormde een uitzondering op de doorgaans beperkte beleidsinvloed van de familie. Tijdens zijn regering, van 1813 tot 1840, bepaalde hij volgens de commissie vrijwel zelfstandig het koloniale beleid. In 1828 zocht hij bovendien actief naar mogelijkheden om bestaande wetgeving over de slavenhandel te omzeilen.
De stadhouders vóór hem moesten rekening houden met de Staten-Generaal en de machtige Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Bij latere vorsten werd de invloed op het koloniale beleid steeds kleiner door de groeiende macht van het parlement.
Honderden miljoenen aan koloniale inkomsten
De financiële voordelen voor de Oranjes kwamen vooral uit de VOC en later uit Nederlands-Indië. Volgens de onderzoekers verdiende de familie in de negentiende eeuw omgerekend ongeveer een half miljard euro aan het kolonialisme.
Daarnaast ontvingen stadhouders vanwege hun functie toelagen van koloniale ondernemingen. Over een periode van twee eeuwen ging het omgerekend om circa 86 miljoen euro. Deze inkomsten droegen volgens het onderzoek nauwelijks bij aan het huidige koninklijke vermogen. Stadhouder Willem V verliet Nederland in 1795 in berooide toestand.
Aan de trans-Atlantische slavenhandel en de slavernij in het Caribisch gebied verdienden de Oranjes volgens de commissie vrijwel niets. Dat kwam niet voort uit principiële bezwaren, maar uit tegenvallende financiële resultaten. De West-Indische Compagnie leverde de familie vooral verliezen op.
Excuses voor slavernij terecht
Oostindie noemt de excuses die Willem-Alexander op 1 juli 2023 aanbood voor het uitblijven van verzet van zijn voorouders tegen de Atlantische slavernij terecht. De beperkte financiële opbrengsten uit die slavernij doen volgens de onderzoeksconclusies niets af aan de steun van de familie aan het koloniale systeem.
Het onderzoek schetst een geschiedenis waarin eigenbelang, geweld, racisme en de schade van het kolonialisme onlosmakelijk verbonden zijn met het Nederlandse verleden. Het Huis Oranje-Nassau speelde daarin volgens de commissie een eigen rol.
Willem-Alexander gaf in december 2022 opdracht tot het onafhankelijke onderzoek, financierde het en verleende toegang tot de koninklijke archieven. Meer dan zestig onderzoekers werkten mee. De resultaten beslaan vijf boeken met ruim tweeduizend pagina’s, die de koning in het Academiegebouw in Leiden in ontvangst nam.
Naast Oostindie maakten historicus Esther Captain, oud-politicus Kathleen Ferrier en hoogleraar Henk te Velde deel uit van de onderzoekscommissie.
Bron: NOS







