Voormalig minister Bronto Somohardjo zegt dat hij in de zaak rond zijn mogelijke in staat van beschuldigingstelling nooit door de politie of het Openbaar Ministerie is gehoord. Volgens hem kreeg hij alleen één keer vragen van de CLAD en heeft hij niets te verbergen.
“Ik heb niets te verbergen. Ik ben niet hier om bescherming te vragen.” Met die woorden begon voormalig minister van Binnenlandse Zaken Bronto Somohardjo vrijdag zijn verklaring tijdens de openbare hoorzitting van de parlementaire commissie die zich buigt over de vordering van het Openbaar Ministerie om hem in staat van beschuldiging te stellen.
Somohardjo verklaarde dat hij tot nu toe niet door de politie of het Openbaar Ministerie is gehoord. Op vragen van commissievoorzitter Rabin Parmessar en DNA-leden Dew Sharman en Ebu Jones zei de gewezen bewindsman dat hij slechts één keer door de Centrale Landsaccountantsdienst (CLAD) is gehoord. Volgens hem was hij bovendien niet op de hoogte van een persoonsgericht onderzoek tegen hem.
De voormalige minister stelde dat hij bij de directeur van de CLAD zelf heeft nagevraagd of er tijdens het onderzoek malversaties op zijn naam waren vastgesteld. Volgens Somohardjo zou daarop ontkennend zijn geantwoord. Hij zei daarom vragen te hebben bij het feit dat tegen hem nu een strafrechtelijk traject wordt voorbereid, terwijl hij naar eigen zeggen nauwelijks of niet door de bevoegde instanties is gehoord.
Vragen over procedure en zorgvuldigheid
Tijdens de hoorzitting vroegen verschillende parlementariërs naar de manier waarop het onderzoek is verlopen. Ebu Jones vroeg onder meer of Somohardjo als minister ambtenaren zou hebben ingezet voor partijpolitieke doeleinden en hoe de procedure binnen het ministerie in zulke gevallen verliep.
Jones vroeg ook of Somohardjo wist van het bijzondere CLAD-onderzoek bij Binnenlandse Zaken, wie daartoe opdracht had gegeven en of hij bekend was met de procedure voor het starten van een dergelijk onderzoek. Volgens Somohardjo kwam de opdracht voor het onderzoek niet van hem, maar via de toenmalige regeringsleiding. Eerder verklaarde hij dat het bijzonder onderzoek officieel was aangevraagd door toenmalig president Chan Santokhi via het ministerie van Financiën en Planning.
Ronnie Brunswijk stelde daar tegenover dat hij zich herinnerde dat Somohardjo zelf om het onderzoek had gevraagd. Somohardjo hield vol dat Brunswijk hem mogelijk verkeerd had begrepen. Volgens hem ging het niet om een persoonlijke aanvraag van hem om een onderzoek tegen zichzelf, maar om een traject dat vanuit de toenmalige bestuurlijke leiding is ingezet.
Somohardjo zei dat hij als minister verantwoordelijk was voor de politieke aansturing en het beleid van het ministerie, maar dat de dagelijkse administratieve processen door de ambtelijke leiding werden uitgevoerd. Hij benadrukte dat hij zijn politieke verantwoordelijkheid niet ontloopt, maar hield vol dat hij nooit bewust onrechtmatig handelen heeft aangestuurd of toegestaan.
“Ik heb nergens opdracht gegeven om tegen de wet te handelen,” stelde de gewezen minister. Volgens Somohardjo was dat niet zijn werkwijze en heeft hij binnen het ministerie juist een cultuur van openheid, kritiek en discussie willen bevorderen.
Een belangrijk deel van de zitting ging over de procedure rond overuren bij het ministerie van Binnenlandse Zaken. Somohardjo legde uit dat werknemers vooraf toestemming moesten vragen wanneer zij meer dan dertig overuren wilden maken. Die aanvragen werden volgens hem eerst beoordeeld door het afdelingshoofd en daarna door de directeur van het departement.
Pas daarna kwam het stuk bij hem terecht voor een paraaf. Somohardjo benadrukte dat hij geen verzamelstaten heeft ondertekend, maar slechts aanvragen parafeerde. Volgens hem was de bedoeling van de procedure juist om overuren te beperken en beter te controleren.
Overuren en partijpolitieke inzet
Een belangrijk onderdeel van de vragen had betrekking op overuren en de inzet van ambtenaren. Somohardjo gaf aan dat er binnen Binnenlandse Zaken een procedure bestond voor het aanvragen en goedkeuren van overuren. Werknemers moesten vooraf toestemming vragen wanneer zij meer dan dertig overuren wilden maken. Die aanvragen werden eerst beoordeeld door het afdelingshoofd en daarna door de directeur, voordat ze bij hem kwamen voor een paraaf.
Hij ontkende dat hij opdracht heeft gegeven om ambtenaren onrechtmatig of voor partijpolitieke doeleinden in te zetten. Ook wees hij de suggestie van de hand dat hij ondergeschikten zou hebben ondermijnd of de interne checks-and-balances binnen het ministerie zou hebben verstoord.
Volgens Somohardjo heeft hij als minister juist geprobeerd om procedures te laten volgen en openheid binnen het ministerie te bevorderen. Hij stelde dat hij nooit iemand heeft opgedragen om tegen de wet te handelen.
Dew Sharman: parlement moet niet op stoel van rechter gaan zitten
DNA-lid Dew Sharman waarschuwde dat het parlement zich niet moet verliezen in de inhoudelijke beoordeling van de zaak. Volgens hem moet de commissie zich vooral richten op het document dat door het Openbaar Ministerie is gepresenteerd en de vraag of de aangehaalde punten zwaar genoeg zijn om het strafrechtelijk onderzoek te laten doorgaan.
Sharman stelde dat de inhoudelijke waarheidsvinding uiteindelijk thuishoort bij het Openbaar Ministerie en de rechter. Het parlement moet volgens hem beoordelen of de procedure kan worden voortgezet, maar moet niet zelf de rol van rechter overnemen.
Vraag naar voldoende gehoor
Parlementariër Plein vroeg Somohardjo of hij vindt dat hij in deze fase voldoende is gehoord en of hij inhoudelijk wilde ingaan op de zaken die door het OM zijn aangehaald. Somohardjo bleef erbij dat hij zijn kant van het verhaal tot nu toe niet heeft kunnen geven tegenover politie of OM.
Ook buiten de commissie werd de vraag gesteld of alle procedures volgens de regels zijn gevolgd. Somohardjo gaf aan dat juist die zorgvuldigheid volgens hem centraal moet staan. Hij zei niet te vragen om bescherming, maar om een objectieve beoordeling van de feiten en de gevolgde procedure.
De commissie moet uiteindelijk adviseren of het parlement voldoende grond ziet om het verzoek van het Openbaar Ministerie verder te behandelen. Pas wanneer De Nationale Assemblée instemt met de in staat van beschuldigingstelling, kan het strafrechtelijk traject tegen de gewezen bewindsman formeel verdergaan.











