Het ministerie van Buitenlandse Zaken, Internationale Handel en Internationale Samenwerking stelt dat recente berichtgeving over maritieme heffingen op de Corantijnrivier geen correcte weergave geeft van het geldende beleid.
Het ministerie benadrukt dat beweringen over het stopzetten of aanpassen van maritieme heffingen in strijd zijn met het bestaande beleid en de geldende regelgeving. Volgens het ministerie is er geen sprake van een recente beleidswijziging.
Daarbij verwijst het ministerie naar een recente Nota Verbale van 20 april 2026, die is verzonden naar Guyana als reactie op een eerdere Nota Verbale van 26 maart 2026. In die correspondentie wordt volgens het ministerie de juridische en administratieve basis voor de toepassing van maritieme heffingen op de Corantijnrivier uiteengezet.
Vrijstellingen waren beperkt
Het ministerie maakt duidelijk dat eerder verleende vrijstellingen een specifiek en beperkt karakter hadden. Deze vrijstellingen hadden betrekking op het Guyanese suikerproductiebedrijf GUYSUCO en waren niet bedoeld als algemene vrijstelling voor alle vaartuigen die gebruikmaken van de Corantijnrivier.
Volgens het ministerie blijven alle vaartuigen, zowel Surinaamse als buitenlandse schepen, die binnen de Surinaamse jurisdictie opereren, onderworpen aan de geldende wet- en regelgeving. Daarmee wordt volgens de regering het principe van gelijke toepassing van maritieme regels gehandhaafd.
Overleg met Guyana
Tegelijkertijd spreekt de Surinaamse regering waardering uit voor de langdurige samenwerking met Guyana. Suriname zegt zich te blijven inzetten voor een constructieve en coöperatieve relatie met het buurland.
In lijn met de Nota Verbale van 20 april 2026 is Guyana uitgenodigd voor technische besprekingen. Daarbij moeten het arrangement rond GUYSUCO, veilige navigatie en handelsverkeer op de Corantijnrivier verder worden geëvalueerd en besproken.



