Het bezoek van leden van De Nationale Assemblée en vertegenwoordigers van de media aan de gebieden waar de Mennonieten actief zijn, heeft opnieuw een discussie geopend die in Suriname inmiddels groter is geworden dan de vraag of een groep buitenlandse boeren wel of niet welkom is. Wie alleen naar de Mennonieten kijkt, mist namelijk het grotere vraagstuk dat onder deze hele kwestie ligt: wat wil Suriname eigenlijk met zijn enorme landbouwareaal, hoe serieus zijn wij werkelijk met de ontwikkeling van grootschalige landbouw en waarom lukt het ons al tientallen jaren niet om de landbouwpotentie van het binnenland op een structurele manier te benutten?
President Jennifer Simons heeft duidelijk gemaakt dat zij geen ruimte ziet voor grootschalige landbouw waarbij primair bos wordt gekapt en dat landbouwontwikkeling moet plaatsvinden op daarvoor geschikte gronden, onder meer in de kustvlakte. Dat standpunt is op zichzelf begrijpelijk en ik zou zelfs willen zeggen: noodzakelijk. Niemand kan serieus beweren dat Suriname zijn toekomst moet bouwen door lukraak primair bos te vernietigen. Maar tegelijkertijd mogen wij niet in het andere uiterste terechtkomen, waarin iedere vorm van grootschalige landbouw met argwaan wordt bekeken, alsof productie, kapitaal, technologie en buitenlandse kennis per definitie een bedreiging voor Suriname vormen.
Want laat ik daar maar meteen duidelijk over zijn: ik ben vóór grootlandbouw.
Sterker nog, ik vind dat Suriname al veel te lang praat over landbouw zonder landbouw werkelijk als een strategische economische sector te behandelen. Ik heb jarenlang gehoord dat Suriname de voedselproducent en zelfs de ‘wereldschuur’ van de regio zou kunnen worden, dat wij voldoende grond hebben, water hebben, een gunstig klimaat hebben en dichtbij markten in het Caribisch gebied, Guyana, Brazilië en andere delen van de regio liggen, maar iedere keer wanneer het erop aankomt, blijven wij steken in commissies, beleidsnota’s, grondaanvragen, vergunningen, politieke wisselingen en projecten die na een regeringswisseling weer ergens onder een dikke laag papier verdwijnen.
West-Klaaskreek en de ongelijke behandeling
En precies daar begint mijn persoonlijke conflict met de huidige Mennonieten-discussie.
Want ik kan moeilijk zeggen dat ik tegen buitenlandse grootschalige landbouwers ben wanneer ik tegelijkertijd al jarenlang pleit voor de ontwikkeling van West-Klaaskreek.
Stichting LOKEO, de Landbouw Ontwikkeling Klaaskreek en Omgeving, werd al in 2014 opgericht en werkt aan de ontwikkeling van West-Klaaskreek als een gebied voor agribusiness, agroforestry en agro-industrie, met als doel niet alleen landbouwproductie, maar ook verwerking, ondernemerschap, werkgelegenheid en verdere gebiedsontwikkeling tot stand te brengen. Het project heeft zelfs al concrete stappen gekend, waaronder de ontwikkeling van infrastructuur en de aanleg van een weg richting het gebied.
En dan vraag ik mij als Surinamer af: hoe kan het dat mensen uit onze eigen dorpsgemeenschap al jarenlang bij verschillende regeringen aankloppen om West-Klaaskreek via particuliere exploitanten en investeerders tot ontwikkeling te brengen, terwijl wij tegelijkertijd zien dat buitenlandse landbouwers kennelijk wél relatief snel onderdeel kunnen worden van grote landbouwprojecten?
Dat is geen aanval op de Mennonieten.
Dat is een vraag aan de Surinaamse staat.
Want als LOKEO, de dorpsgemeenschap en andere lokale initiatiefnemers al meer dan een decennium zeggen: geef ons de ruimte, geef ons de mogelijkheid om te produceren, geef ons de kans om investeerders aan te trekken en laat ons een gebied ontwikkelen waarin landbouw, verwerking, werkgelegenheid en woningbouw samenkomen, waarom duurt dat dan zo lang?
Waarom moet een Surinamer zich door verschillende regeringen heen van het kastje naar de muur laten sturen, terwijl een buitenlandse partij uiteindelijk wel in beeld komt wanneer er een groot landbouwproject op tafel ligt?
Buitenlandse kennis kan ook een kans zijn
En hier begint mijn ongemak pas echt.
Want als de Mennonieten daadwerkelijk beschikken over de kennis, ervaring, technologie en discipline om van grote stukken landbouwgrond productieve landbouwbedrijven te maken, dan moet ik eerlijk genoeg zijn om te zeggen: laat ze produceren.
Als zij ervoor kunnen zorgen dat Suriname eindelijk serieus werk maakt van maïs, soja, granen, veeteelt, voedselverwerking en uiteindelijk export, dan zou het kortzichtig zijn om alleen maar naar hun buitenlandse afkomst te kijken.
Maar dan wil ik wel één ding weten: waarom kunnen wij dat model niet combineren met Surinaamse grond, Surinaamse ondernemers, Surinaamse arbeiders en Surinaamse gemeenschappen?
Want het doel moet niet zijn dat wij een groep Mennonieten naar Suriname halen en vervolgens hopen dat zij onze landbouw gaan redden. Het doel moet zijn dat wij een landbouwsysteem bouwen waarin buitenlandse kennis en kapitaal worden gebruikt om Suriname zelf sterker te maken.
Suriname moet niet naïef zijn
Daarbij moeten wij ook eerlijk zijn over de andere kant van het verhaal.
De problemen die nu rond de Mennonieten ontstaan, zijn niet uit de lucht komen vallen. In andere landen waar grote Mennonitische landbouwgemeenschappen zich hebben ontwikkeld, zijn eveneens conflicten ontstaan rond grond, ontbossing en de uitbreiding van landbouwgebieden. In Belize bijvoorbeeld zijn Mennonitische gemeenschappen uitgegroeid tot grote landbouwproducenten, maar onderzoek heeft ook gewezen op grootschalige grondaankopen en ontbossing, waarbij sommige gemeenschappen gezamenlijk via trusts en andere structuren grond verwerven en beheren.
Ook in Mexico zijn spanningen ontstaan tussen Mennonitische grootschalige landbouw en Maya-gemeenschappen, onder meer rond ontbossing, landbouwchemicaliën en de uitbreiding van industriële landbouw. Tegelijkertijd laat wetenschappelijk onderzoek zien dat er tussen Maya-boeren en Mennonitische boeren óók samenwerking en economische afhankelijkheid bestaat. Het verhaal is dus niet zo simpel als ‘Mennonieten slecht, lokale bevolking goed’.
In Zuid-Amerika zijn de zorgen eveneens bekend. Onderzoek heeft de uitbreiding van Mennonitische landbouw in onder meer Paraguay en Bolivia in verband gebracht met grootschalige ontbossing en de omzetting van natuurlijke ecosystemen in landbouwgrond.
Suriname doet er dus verstandig aan om niet naïef te zijn.
Maar evenmin moeten wij paranoïde worden.
De vraag moet zijn: welke regels stellen wij aan iedereen die hier grootlandbouw wil bedrijven?
Dezelfde regels voor iedereen
En daar zit volgens mij de werkelijke oplossing.
Als een Mennoniet 10.000 hectare wil ontwikkelen, prima. Als een Surinaamse ondernemer 10.000 hectare wil ontwikkelen, ook prima. Als een Braziliaanse investeerder 20.000 hectare wil ontwikkelen, eveneens prima. Maar dan moeten voor iedereen dezelfde regels gelden.
Geen primair bos.
Geen aantasting van woon- en leefgebieden van Inheemse en tribale gemeenschappen.
Geen gronduitgifte zonder transparante procedure.
Geen constructies waarbij de werkelijke gebruiker van de grond pas achteraf zichtbaar wordt.
Geen vergunningen achteraf.
Geen politiek vriendjesbeleid.
En vooral: geen uitzonderingspositie voor buitenlanders en geen achterstelling van Surinamers.
Dat laatste vind ik misschien nog wel het belangrijkste.
Vragen over overeenkomsten en schadeclaim
Want inmiddels horen wij dat er drie overeenkomsten zouden zijn gesloten voor landbouwprojecten langs de weg naar West-Suriname, gezamenlijk goed voor 34.185 hectare, terwijl Braganza Marketing Group stelt dat de projecten met de overheid zijn afgesproken en dat de Mennonieten vanwege hun ervaring met grootschalige landbouw worden ingezet. Tegelijkertijd heeft het bedrijf een conceptschadeclaim van US$ 86 miljoen aangekondigd, nadat de regering zich tegen bepaalde activiteiten heeft uitgesproken. De precieze juridische positie en de verschillende beweringen over vergunningen, afspraken en verantwoordelijkheden zijn echter niet onafhankelijk vastgesteld en worden door de betrokken partijen verschillend voorgesteld.
En juist daarom moeten wij als samenleving niet zomaar roepen dat de Mennonieten ‘illegaal’ zijn, maar evenmin zomaar aannemen dat alles wat rond hun komst is geregeld automatisch rechtmatig en transparant is.
Want als een bedrijf zegt dat het US$ 86 miljoen schade kan claimen, wil ik als belastingbetaler weten: waar komt dat bedrag vandaan?
Welke overeenkomst ligt eraan ten grondslag?
Wie heeft die overeenkomst namens Suriname ondertekend?
Welke grond is precies beschikbaar gesteld?
Voor hoeveel jaar?
Tegen welke voorwaarden?
Hoeveel wordt voor die grond betaald?
Wie betaalt de grond?
Wie ontvangt de inkomsten?
Wie is juridisch verantwoordelijk voor de Mennonieten?
En als er inderdaad grond wordt betaald of verhuurd, hoeveel betalen deze buitenlandse landbouwers dan precies per hectare?
Dat zijn geen anti-Mennonitische vragen.
Dat zijn normale vragen in een rechtsstaat.
Sterker nog, als de regering deze vragen helder beantwoordt, kan dat de Mennonieten juist beschermen tegen de indruk dat zij via een achterdeur Suriname zijn binnengebracht.
Wie heeft welke beloften gedaan?
Want ook zij zitten nu in een situatie die niet gemakkelijk is.
Zij worden geconfronteerd met politieke kritiek, maatschappelijke argwaan en beschuldigingen over ontbossing, terwijl zij tegelijkertijd zeggen dat zij op basis van afspraken met de Surinaamse overheid in Suriname zijn gaan werken. Braganza stelt bovendien dat de betrokken Mennonieten uit Belize en Mexico over geldige visa beschikken en dat de projecten voortkomen uit afspraken met de overheid.
Als dat klopt, dan is de vraag niet alleen wat de Mennonieten fout hebben gedaan.
Dan moeten wij ook vragen: wie heeft deze mensen naar Suriname gehaald, welke beloften zijn aan hen gedaan en welke beloften zijn namens de Surinaamse staat aan hen gedaan?
Want ik krijg steeds meer het gevoel dat wij de verkeerde mensen ondervragen.
Misschien moeten wij niet alleen aan de Mennonieten vragen waarom zij hier zijn.
Misschien moeten wij vooral aan de mensen die hen hierheen hebben gehaald vragen wat zij hen hebben beloofd.
Want als je buitenlandse boeren naar Suriname haalt, grote landbouwprojecten met hen bespreekt, grond beschikbaar stelt, afspraken maakt en hen vervolgens na een politieke wisseling vertelt dat zij eigenlijk niet welkom zijn, dan creëer je zelf het probleem.
En als er vervolgens een schadeclaim van US$ 86 miljoen op tafel komt, kun je niet volstaan met verontwaardiging.
Dan moet de samenleving de documenten zien.
Alle documenten.
Niet alleen een persbericht.
Niet alleen een verklaring van een minister.
Niet alleen een uitspraak van een ondernemer.
Wij willen de contracten zien, de kaarten, de voorwaarden, de milieustudies, de grondtitels, de vergunningen en de verantwoordelijkheden.
Deze kwestie gaat over Suriname
Want uiteindelijk gaat deze kwestie niet over de Mennonieten.
Deze kwestie gaat over Suriname.
Het gaat over de vraag of wij eindelijk durven te kiezen voor productie.
Ik ben daar vóór.
Ik wil grootlandbouw zien in Suriname.
Ik wil duizenden hectares landbouwgrond zien waarop maïs, soja, rijst, cassave, fruit, veevoer en andere gewassen worden geproduceerd.
Ik wil fabrieken zien waar die producten worden verwerkt.
Ik wil koelhuizen zien.
Ik wil logistieke centra zien.
Ik wil export zien.
Ik wil Surinaamse jongeren zien die niet allemaal naar Paramaribo hoeven te trekken, omdat er in hun district niets te doen is.
Ik wil dat dorpen in het binnenland niet alleen afhankelijk zijn van goudwinning en overheidsbanen.
Ik wil dat Klaaskreek, Brokopondo, Para, Saramacca, Nickerie, Marowijne en andere gebieden landbouwcentra worden waar mensen kunnen wonen, werken, ondernemen en een toekomst kunnen opbouwen.
En daarvoor hebben wij grootlandbouw nodig.
Grootlandbouw betekent niet automatisch buitenlandse bedrijven
Maar grootlandbouw betekent niet automatisch grote buitenlandse bedrijven.
Grootlandbouw betekent schaal.
En die schaal kan worden georganiseerd door Surinaamse bedrijven, buitenlandse bedrijven, joint ventures, coöperaties, dorpsgemeenschappen en publiek-private samenwerkingen.
Waarom zouden bijvoorbeeld Mennonieten en LOKEO niet naast elkaar kunnen bestaan?
Waarom zouden buitenlandse boeren niet hun kennis kunnen inzetten in een project waarbij de lokale gemeenschap eigenaar of mede-eigenaar blijft?
Waarom zouden Surinaamse landbouwers niet door dezelfde buitenlandse specialisten kunnen worden getraind?
Waarom zouden wij geen model kunnen bouwen waarbij een buitenlandse agrarische onderneming tien jaar lang technologie en kennis levert, maar tegelijkertijd verplicht wordt om Surinamers op te leiden, lokale werknemers in dienst te nemen, lokale toeleveranciers te gebruiken en uiteindelijk een deel van de productiecapaciteit in Surinaamse handen te laten komen?
Dát zou voor mij echte local content zijn.
Niet alleen in de olie- en gassector.
Ook in de landbouw.
Onder welke voorwaarden mogen zij komen?
En misschien moeten wij daarom eindelijk stoppen met de vraag:
‘Mogen de Mennonieten hier komen?’
De betere vraag is:
‘Onder welke voorwaarden mogen mensen hier komen om Suriname te helpen produceren?’
Daarbij moet één regel voor iedereen gelden.
Wie landbouwgrond wil, krijgt geen bos om onbeperkt te kappen.
Wie grond krijgt, moet produceren.
Wie investeert, moet transparant zijn.
Wie personeel meeneemt, moet zich aan de Surinaamse arbeidswetgeving houden.
Wie hier rijkdom creëert, moet ook waarde achterlaten in Suriname.
En wie Surinamer is en al vijftien jaar met een serieus landbouwplan aan de deur klopt, mag niet achteraan in de rij worden gezet, omdat een buitenlandse investeerder plotseling wél haast heeft.
Buitenlandse investeringen én eerlijkheid
Daarom blijf ik met mezelf in discussie.
Ik ben vóór grootlandbouw.
Ik ben vóór buitenlandse investeringen.
Ik ben vóór kennis van buiten.
Ik ben vóór technologie.
Ik ben vóór productie.
Maar ik ben ook vóór eerlijkheid.
En ik wil begrijpen hoe het mogelijk is dat een land dat al decennialang praat over de ontwikkeling van zijn landbouw, buitenlandse landbouwers relatief snel kan faciliteren, terwijl eigen gemeenschappen en eigen ondernemers soms jarenlang moeten wachten op grond, infrastructuur en toestemming.
Als de Mennonieten uiteindelijk kunnen bijdragen aan het maken van Suriname tot een belangrijke landbouwproducent van het Caribisch gebied en Zuid-Amerika, dan zeg ik: welkom.
Maar als wij hen welkom heten, moeten wij ook de Surinamers welkom heten die al jaren zeggen:
‘Geef ons de kans om zelf te produceren.’
Maak de landbouwdiscussie groter
Misschien is de oplossing daarom niet om de Mennonieten weg te sturen.
Misschien is de oplossing om eindelijk genoeg landbouwgrond beschikbaar te stellen voor iedereen die serieus wil produceren.
En misschien moeten wij juist nu de historische fout herstellen door van deze hele discussie iets veel groters te maken dan een ruzie over één groep boeren.
Maak van West-Klaaskreek een agro-industrieel centrum.
Maak van Brokopondo een producent.
Maak van Nickerie meer dan alleen rijst.
Maak van Saramacca een voedsel- en verwerkingshub.
Maak van Para een centrum voor agroforestry en hoogwaardige landbouw.
Maak van het binnenland een plaats waar productie en gemeenschapsontwikkeling hand in hand gaan.
Want Suriname kan niet eeuwig zeggen dat het een land is met enorme mogelijkheden.
Op een gegeven moment moeten wij die mogelijkheden ook daadwerkelijk gaan gebruiken.
En als wij werkelijk geloven dat Suriname een wereldschuur kan worden, dan moeten wij eindelijk ophouden met praten alsof landbouw een hobby is.
Landbouw is economie.
Landbouw is voedselzekerheid.
Landbouw is werkgelegenheid.
Landbouw is export.
Landbouw is regionale macht.
En in een wereld waarin voedsel steeds belangrijker wordt, kan de grootste strategische fout van Suriname misschien wel zijn dat wij beschikken over grond, water, klimaat en ruimte, maar toch blijven toekijken hoe anderen de landbouw wel op grote schaal organiseren.
Surinaamse grootlandbouw
Grootlandbouw dus? Ja, absoluut.
Maar laat het dan Surinaamse grootlandbouw worden.
Met buitenlandse kennis waar die nodig is.
Met buitenlands kapitaal waar dat nodig is.
Met buitenlandse boeren als zij daadwerkelijk iets kunnen toevoegen.
Maar bovenal met Surinaamse grond, Surinaamse mensen, Surinaamse ondernemers en een Surinaamse overheid die eindelijk weet wat zij met dit land wil.
Charles Muller
Ingezonden bijdrage
Dit artikel is een ingezonden bijdrage. De inhoud is geschreven op persoonlijke titel en valt onder de verantwoordelijkheid van de auteur. De redactie van Key News Suriname onderschrijft de standpunten in deze bijdrage niet per definitie.
Wilt u ook een opiniestuk of ingezonden bijdrage insturen?
Bekijk hier de voorwaarden en werkwijze.









