Parlementsvoorzitter Michael Adhin wil dat knelpunten bij de toepassing van het Nieuw Burgerlijk Wetboek worden vertaald naar concrete aanbevelingen voor mogelijke wetswijzigingen.
Volgens Adhin moet de evaluatie van de nieuwe wetgeving duidelijk maken welke bepalingen in de praktijk problemen opleveren en waar verbeteringen noodzakelijk zijn. De Nationale Assemblée (DNA) zal de aanbevelingen beoordelen en waar nodig voorstellen voor aanpassing van de wetgeving voorbereiden.
Adhin deed deze uitspraken zaterdag 24 oktober 2026 tijdens de opening van het congres Evaluatie Nieuw Burgerlijk Wetboek en aanverwante wetten in de Torarica Banquethal. Het congres stond in het teken van de ervaringen die rechters, advocaten, notarissen en andere betrokkenen hebben opgedaan sinds de invoering van de nieuwe wetgeving.
Het Nieuw Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en vijf aanverwante wetten traden op 1 mei 2025 in werking. Daarmee werd een belangrijke stap gezet in de modernisering van het Surinaamse burgerlijk recht.
Volgens Adhin houdt het wetgevingsproces niet op wanneer het parlement een wet heeft goedgekeurd. Pas wanneer de nieuwe regels daadwerkelijk worden toegepast, wordt duidelijk of deze aansluiten bij de behoeften van de samenleving en de rechtspraktijk.
“Een wetboek wordt twee keer aangenomen. Eerst door het parlement, met een stemming. Daarna door de praktijk, dag na dag, in de akte en in het vonnis”, stelde de parlementsvoorzitter.
Niet ieder knelpunt vereist wetswijziging
Tijdens de evaluatie zijn verschillende problemen bij de toepassing van de nieuwe wetgeving in kaart gebracht. De Aansturingscommissie heeft deze onderverdeeld in vier categorieën: interpretatievraagstukken, uitvoeringsproblemen, leemten in de wet en onbedoelde gevolgen voor andere wetgeving.
Adhin benadrukte dat dit onderscheid belangrijk is, omdat niet ieder probleem automatisch aanleiding hoeft te geven tot een wetswijziging. Sommige knelpunten kunnen volgens hem worden opgelost door bestaande procedures of werkwijzen aan te passen.
Als voorbeeld verwees hij naar het nieuwe Procesreglement voor civiele zaken, dat op 1 oktober 2026 in werking trad. Dit reglement is door het Hof van Justitie vastgesteld en afgestemd op de nieuwe wettelijke bepalingen.
“Een procedure die knelt, laat zich soms aanpassen zonder één woord van de wet te wijzigen”, aldus Adhin.
Parlement vraagt concrete tekstvoorstellen
Voor problemen die wel een wettelijke oplossing vereisen, verwacht de parlementsvoorzitter gerichte voorstellen van de betrokken deskundigen.
Hij riep de deelnemers op om bij iedere aanbeveling duidelijk aan te geven welke wetsbepaling problemen veroorzaakt, wat de juridische gevolgen daarvan zijn en hoe de bepaling eventueel kan worden aangepast.
“Formuleer die aanbevelingen zoals de wetgever ze kan verwerken: per bepaling, met het knelpunt dat zich in de toepassing voordoet, de rechtsgevolgen daarvan en, waar mogelijk, een tekstvoorstel met toelichting”, zei Adhin.
Volgens hem kunnen dergelijke voorstellen rechtstreeks worden betrokken bij de parlementaire behandeling en het overleg met de regering.
DNA belooft opvolging aanbevelingen
De parlementsvoorzitter zegde toe dat DNA de aanbevelingen van het congres officieel in ontvangst zal nemen. De afdeling Juridische Ondersteuning van het parlement krijgt vervolgens de taak deze te beoordelen en waar nodig voorstellen voor wetswijzigingen voor te bereiden.
Adhin wil bovendien dat duidelijk wordt wat er uiteindelijk met iedere aanbeveling gebeurt. Hij kondigde aan hierover in overleg met de organisatoren een moment voor terugkoppeling vast te stellen.
Ook de DNA-leden die deelnemen aan de werkgroepen van het congres zullen hun bevindingen vastleggen en meenemen naar het parlement.
De voorzitter herhaalde verder zijn eerdere pleidooi voor een halfjaarlijks overleg tussen de regering, rechterlijke macht, advocatuur, het notariaat en andere betrokken instellingen. Daarmee moet de toepassing van het Burgerlijk Wetboek structureel worden gevolgd.
Evaluatie begon al vóór invoering
Opmerkelijk is dat de voorbereiding van de evaluatie al begon voordat de nieuwe wetgeving daadwerkelijk van kracht werd.
Het Hof van Justitie en de Surinaamse Orde van Advocaten stelden op 1 november 2024 een commissie in om de invoering en toepassing van het nieuwe wetboek te volgen. Dat gebeurde zes maanden voordat de nieuwe regels in werking traden.
Adhin sprak zijn waardering uit voor deze aanpak. “U begon met evalueren voordat er iets te evalueren viel. Daarvoor dank ik u, namens het parlement.”
Het oude Burgerlijk Wetboek, dat uit 1869 stamde, vormde bijna anderhalve eeuw de basis van het Surinaamse burgerlijk recht. Met de invoering van het nieuwe wetboek is die juridische basis vernieuwd, maar volgens Adhin moet de praktijk uiteindelijk uitwijzen waar verdere aanpassingen nodig zijn.
De parlementsvoorzitter beschouwt eventuele wetswijzigingen in de komende jaren dan ook niet als een mislukking van de hervorming, maar als een gevolg van het evaluatieproces.
“Krijgt het nieuwe wetboek binnen enkele jaren zijn eerste wijziging, dan is dat het bewijs dat wij naar u hebben geluisterd. Dan is ook de tweede aanneming voltooid: die door de rechtspraktijk”, besloot Adhin.








