De nieuwe militaire confrontaties tussen de Verenigde Staten en Iran rond de Straat van Hormuz vergroten de onzekerheid op de internationale olie- en transportmarkten.
Iran zegt de strategische vaarroute te hebben gesloten, terwijl Washington volhoudt dat commerciële schepen nog altijd kunnen passeren. De onrust kan via hogere olieprijzen, scheepvaarttarieven en verzekeringskosten ook gevolgen hebben voor Suriname.
Iran verklaarde zaterdagavond dat de Straat van Hormuz was gesloten, nadat een waarschuwingsschot een commercieel schip had geraakt dat volgens Teheran gebruikmaakte van een niet-goedgekeurde route. Zondag meldde Iran dat ook een tweede vaartuig was uitgeschakeld. De Verenigde Staten betwisten dat de zeestraat daadwerkelijk is afgesloten en stellen dat schepen via een zuidelijke route in Omaanse wateren kunnen blijven varen.
De Amerikaanse president Donald Trump zei zondag in een televisie-interview dat de Straat van Hormuz openstaat voor commerciële scheepvaart. Zijn verklaring kwam nadat de Verenigde Staten nieuwe aanvallen hadden uitgevoerd op Iraanse militaire doelen, waaronder raket- en drone-installaties in de omgeving van de vaarroute.
Iran reageerde op de Amerikaanse operaties met raket- en droneaanvallen op landen in de regio waar Amerikaanse militairen en voorzieningen zijn gestationeerd. Onder meer Bahrain, Koeweit, Qatar, Jordanië en Oman werden getroffen of bedreigd. De nieuwe confrontaties zetten een eerder bereikt voorlopig bestand verder onder druk.
Belangrijke route voor wereldwijde oliehandel
De Straat van Hormuz behoort tot de belangrijkste knelpunten in de internationale energiehandel. In 2025 werd dagelijks gemiddeld ongeveer 20 miljoen vaten ruwe olie en olieproducten door de zeestraat vervoerd. Dat komt neer op ongeveer een vijfde van het wereldwijde olieverbruik. Ook een aanzienlijk deel van de internationale handel in vloeibaar aardgas loopt via deze route.
De vaarroute vormt de toegang vanuit de Perzische Golf tot de open zee. Grote olie- en gasproducenten zoals Saudi-Arabië, Irak, Koeweit, Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten zijn voor een belangrijk deel van hun uitvoer afhankelijk van veilige doorgang.
Een langdurige of volledige afsluiting zou daardoor niet alleen de olie-export uit Iran raken, maar ook leveringen vanuit andere landen in de Golfregio. Alternatieve pijpleidingen en havens kunnen slechts een deel van de normale uitvoer opvangen.
Tankers keren om
De onveiligheid heeft al geleid tot een sterke daling van het scheepvaartverkeer. Het verkeer van olietankers door de Straat van Hormuz kwam op 9 juli volgens scheepvaartgegevens vrijwel tot stilstand. Een dag eerder hadden ten minste vier olie- en gastankers hun poging om door de zeestraat te varen afgebroken en waren zij omgekeerd.
Rederijen moeten bij iedere reis afwegen of de mogelijke opbrengsten opwegen tegen de risico’s voor schepen en bemanning. Nieuwe aanvallen kunnen ertoe leiden dat meer bedrijven hun schepen tijdelijk uit het gebied terugtrekken, zelfs wanneer een vaarroute formeel openblijft.
Ook vertragingen kunnen gevolgen hebben. Wanneer schepen moeten wachten op militaire begeleiding, toestemming of een veiliger moment om te varen, ontstaat minder beschikbare transportcapaciteit. Dat kan de tarieven voor het vervoer van olie, gas en andere goederen verder verhogen.
Verzekeringskosten stijgen
Sommige oorlogsrisicoverzekeraars hebben reders geadviseerd voorlopig geen gebruik te maken van de Straat van Hormuz. De premie voor oorlogsrisico’s in de Golfregio steeg na recente aanvallen van ongeveer 2 procent naar bijna 3 procent van de waarde van een schip. Volgens bronnen van Reuters in de verzekeringssector zouden de premies bij verdere escalatie tot ongeveer 5 procent kunnen oplopen.
Bij een tanker met een waarde van tientallen miljoenen Amerikaanse dollars kunnen dergelijke percentages leiden tot miljoenen aan extra verzekeringskosten per reis. Rederijen verwerken deze uitgaven doorgaans in hun transporttarieven.
De kosten voor het huren van olietankers in de Golfregio waren eind juni al bijna verdubbeld, toen producenten probeerden hun export op te voeren na een eerdere gedeeltelijke hervatting van het verkeer.
Wanneer hogere verzekeringspremies, brandstofkosten en vrachttarieven worden doorberekend, kunnen niet alleen olie en gas duurder worden. Ook de internationale transportkosten voor voedsel, grondstoffen en consumptiegoederen kunnen stijgen.
Olieprijzen blijven gevoelig voor ontwikkelingen
De internationale olieprijzen reageerden de afgelopen week sterk op berichten over aanvallen, onderhandelingen en de doorgang door de zeestraat. De prijs van een vat Brentolie sloot vrijdag op US$ 76,01. De Amerikaanse oliesoort West Texas Intermediate eindigde op US$ 71,41 per vat.
Hoewel de prijzen vrijdag licht daalden door hoop op een herstel van de scheepvaart, steeg Brentolie over de hele week met ongeveer 5,5 procent. WTI werd bijna 4 procent duurder.
De prijsontwikkeling blijft afhankelijk van de werkelijke hoeveelheid olie die door Hormuz wordt vervoerd. Verklaringen dat de vaarroute open of gesloten is, geven niet altijd een volledig beeld. Ook het aantal tankers dat daadwerkelijk durft te varen, de beschikbare verzekering en de bereidheid van bemanningen spelen een rol.
Mogelijke gevolgen voor Suriname
Voor Suriname kan een langdurige stijging van de internationale olieprijzen op korte termijn leiden tot een hogere rekening voor de invoer van brandstoffen. Duurdere scheepvaart en verzekeringen kunnen daarnaast de prijzen van geïmporteerde levensmiddelen, bouwmaterialen, machines en andere goederen beïnvloeden.
Het Internationaal Monetair Fonds waarschuwde eerder dat hogere brandstof- en voedselprijzen de Surinaamse importrekening kunnen vergroten. Dit kan volgens het fonds druk zetten op de betalingsbalans, de behoefte aan buitenlandse valuta verhogen en bijdragen aan inflatie en wisselkoersdruk.
De uiteindelijke gevolgen voor consumenten hangen onder meer af van de duur van de escalatie, de internationale marktprijzen, de voorraden van importeurs en de manier waarop brandstofprijzen in Suriname worden vastgesteld.
Voor Suriname kan een hogere olieprijs op middellange termijn ook extra inkomsten opleveren wanneer de offshore-olieproductie op gang komt. Het IMF wijst echter op een verschil in timing: hogere brandstofprijzen kunnen de economie en consumenten op korte termijn belasten, terwijl eventuele hogere olie-inkomsten pas later worden ontvangen.
Zolang Washington en Teheran tegengestelde verklaringen afleggen over de controle en toegankelijkheid van de zeestraat, blijft de markt onzeker. Nieuwe aanvallen op commerciële schepen kunnen de olie-, vracht- en verzekeringskosten opnieuw snel laten oplopen.












