De kortgedingzaak van luchtvaartmaatschappij KLM tegen de Staat Suriname heeft maandag 27 april 2026 geleid tot een gedeeltelijke afwijzing van de vorderingen van KLM. De zaak draait om een staatsbesluit uit 2007, waarin is bepaald dat luchtvaartmaatschappijen commissie moeten betalen aan reisagenten in Suriname.
De KLM had de kantonrechter gevraagd het staatsbesluit op te schorten. Ook wilde de luchtvaartmaatschappij dat de overheid het commissiepercentage zou wijzigen naar nul, op straffe van een dwangsom.
De kantonrechter wees het verzoek om het staatsbesluit op te schorten af. Wel werd het verzoek over het periodiek vaststellen van het commissiepercentage aangepast toegewezen. De Staat is veroordeeld om binnen twee weken na de uitspraak, samen met KLM en andere relevante betrokkenen, waaronder reisagenten, te evalueren of het commissiepercentage in 2026 nog gerechtvaardigd is of moet worden aangepast.
Staat handelde onzorgvuldig
Volgens de rechter is het staatsbesluit een algemeen bindend voorschrift. Tegelijkertijd oordeelde de kantonrechter dat de Staat in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en daarmee onrechtmatig tegen KLM heeft gehandeld. Dit komt omdat de Staat naliet om het commissiepercentage van tijd tot tijd te evalueren en zo nodig aan te passen. De rechter hield echter ook rekening met de belangen van de reisagenten. Daarom werd de vordering van KLM niet volledig toegewezen.
Tegenvordering Staat afgewezen
De Staat had op zijn beurt een tegenvordering ingediend. Daarbij werd de rechter gevraagd om te oordelen dat KLM niet eenzijdig bevoegd is om de commissie af te schaffen of te wijzigen. Ook wilde de overheid dat KLM verplicht zou worden zich aan de vastgestelde commissie te houden, eveneens op straffe van een dwangsom.
Deze vorderingen zijn door de kantonrechter afgewezen. Volgens de rechter kan een verklaring voor recht niet worden gegeven in een kortgedingprocedure. Over het verzoek om KLM te verplichten zich aan het staatsbesluit te houden, overwoog de rechter dat de overheid op basis van de huidige burgerluchtvaartwetgeving al bevoegd is om administratieve en strafrechtelijke sancties toe te passen bij overtredingen.




