Suriname Green Energy Agriculture N.V. heeft de Staat Suriname in kort geding gedagvaard en eist een onmiddellijk verbod op de uitzetting van ongeveer zestig mennonieten. Het bedrijf verlangt een dwangsom van SRD 10 miljoen per dag of per overtreding, met een maximum van SRD 100 miljoen, indien de Staat zich niet houdt aan een eventueel rechterlijk verbod.
De kortgedingprocedure is op dinsdag 27 oktober 2026 aangespannen door Suriname Green Energy Agriculture N.V., vertegenwoordigd door advocaat D.E.R. Veira. De Staat Suriname, in het bijzonder het ministerie van Justitie en Veiligheid, is de gedaagde partij. Echter heeft de rechter nog geen vonnis uitgesproken en hoopt eventueel vandaag of morgen, donderdag 29 oktober, een vonnis uit te spreken.
Bedrijf wil onmiddellijk verbod op uitzetting
In het verzoekschrift vraagt Suriname Green Energy Agriculture N.V. de rechter de voorgenomen uitzetting van de betrokken buitenlanders onmiddellijk op te schorten.
Het bedrijf wil dat de Staat zich onthoudt van iedere handeling die tot hun verwijdering uit Suriname kan leiden. Daarbij worden onder meer het overbrengen naar een vertrekplaats, het boeken of uitvoeren van een uitzettingsvlucht en het daadwerkelijk laten vertrekken van de betrokkenen genoemd.
Daarnaast wordt gevorderd dat reeds ingezette uitvoeringshandelingen, voor zover noodzakelijk, onmiddellijk worden gestaakt.
Aan overtreding van een eventueel rechterlijk verbod wil het bedrijf een dwangsom van SRD 10 miljoen verbinden voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de Staat niet aan het vonnis voldoet, dan wel voor iedere afzonderlijke overtreding. Het gevorderde maximum bedraagt SRD 100 miljoen.
Deze bedragen betreffen uitsluitend de eisen van het landbouwbedrijf. De rechter heeft nog niet bepaald of de gevorderde verboden en dwangsommen worden toegewezen.
Grondbeleid en Bosbeheer had ontruiming eerder aangezegd
Een van de bijlagen bij het kortgedingverzoek betreft een afzonderlijk deurwaardersexploot van 21 juli 2026. Dit exploot werd uitgebracht op verzoek van het ministerie van Grondbeleid en Bosbeheer en was gericht aan onbekende occupanten, gebruikers en bewoners van domeingrond in het Mazoniagebied, aangeduid als Bosbouwterrein 500.
Daarmee werd een ministerieel schrijven van 12 juli 2026 betekend, met als onderwerp de beëindiging van wederrechtelijke ingebruikname en ontruiming van domeingrond.
Het document toont aan dat de overheid al in juli formele stappen had gezet rond het gebruik van het betreffende terrein. In de processtukken bevindt zich ook een brief van advocaat Veira aan de korpschef van 18 oktober 2026. Daarin verklaarde de advocaat namens een groep landbouwinvesteerders dat zijn cliënten tijdelijk domeingrond hadden gebruikt voor de coördinatie van werkzaamheden aan een toegangsweg naar hun landbouwgebied.
Volgens de brief zou vanaf maandag 19 oktober worden begonnen met de verhuizing van activiteiten naar het terrein dat volgens de cliënten aan hen was toegewezen. Daarbij werd de politie om begrip en medewerking gevraagd. Of die verplaatsing daadwerkelijk was afgerond voordat de politie op 26 oktober ingreep, blijkt niet uit de stukken.
Samenwerkingsovereenkomst uit 2024
Het landbouwbedrijf beroept zich in zijn kortgedingverzoek op een Public Private Partnership-overeenkomst (PPP) die op 25 september 2024 werd gesloten met LVV.
De overeenkomst werd namens het ministerie ondertekend door toenmalig minister Parmanand Sewdien en namens Suriname Green Energy Agriculture N.V. door directeur Roy Kong Yong Foek.
In de overeenkomst werd onder meer vastgelegd dat een eerder beschikbaar gesteld landbouwgebied van 27.925 hectare in Nickerie zou worden geruild voor een gebied van ongeveer 50.350 hectare in het district Sipaliwini.
De beschikbaarstelling van dat terrein werd overeengekomen voor een periode van veertig jaar, met een mogelijkheid tot verlenging.
Volgens artikel 2 van de overeenkomst mocht het bedrijf het terrein gebruiken voor landbouwactiviteiten en de aanleg van onder meer gebouwen, bedrijfsvoorzieningen en magazijnen.
De Staat verbond zich er ook toe medewerking te verlenen aan het verkrijgen van de noodzakelijke vergunningen en toestemmingen, mits aan de wettelijke voorwaarden werd voldaan.
Die bepaling betekent niet dat met de ondertekening van de overeenkomst automatisch alle vereiste vergunningen waren verleend.
LVV beëindigde overeenkomst, maar trok besluit later in
Uit de bijgevoegde correspondentie blijkt dat LVV op 26 januari 2026 een brief aan Suriname Green Energy Agriculture N.V. stuurde waarin de beëindiging van de PPP-overeenkomst werd aangekondigd.
Volgens het ministerie had het landbouwbedrijf niet voldaan aan de contractuele verplichting om jaarlijks minimaal tien procent van het beschikbaar gestelde terrein in cultuur te brengen.
LVV stelde dat het bedrijf daarmee tekort was geschoten in de nakoming van een wezenlijke verplichting uit de overeenkomst. Het ministerie besloot daarop de samenwerking formeel te beëindigen en de beschikbaar gestelde gronden in te trekken, met uitzondering van het gedeelte dat aantoonbaar en duurzaam in cultuur was gebracht.
Acht maanden later volgde echter een andere beslissing. In een brief van 16 september 2026 deelde LVV het bedrijf mee dat de eerdere beëindigingsbrief werd ingetrokken en als niet verzonden moest worden beschouwd.
Het ministerie verwees daarbij naar correspondentie van de Nationale Milieuautoriteit (NMA). Daaruit bleek volgens LVV dat het bedrijf zijn activiteiten niet mocht aanvangen of voortzetten zolang de vereiste milieueffectrapportage niet formeel was goedgekeurd.
LVV stelde dat de wettelijke milieubeperkingen zwaarder wogen dan de contractueel vastgelegde verplichting om het terrein in cultuur te brengen.
Het ministerie verklaarde zich tevens bereid de samenwerking voort te zetten en de overeenkomst waar nodig aan te passen aan de geldende wet- en regelgeving.
Twee afzonderlijke juridische kwesties
De stukken laten zien dat bij het geschil verschillende juridische vraagstukken spelen. Enerzijds beroept Suriname Green Energy Agriculture N.V. zich op een samenwerkingsovereenkomst met LVV, waarvan de eerdere beëindiging op 16 september 2026 is ingetrokken.
Anderzijds heeft Grondbeleid en Bosbeheer in juli formeel de beëindiging van het gebruik van domeingrond in het Mazoniagebied aangezegd.
Uit de documenten kan niet zonder meer worden vastgesteld dat de grond waarop die aanzegging betrekking heeft, volledig samenvalt met het terrein waarop de PPP-overeenkomst ziet.
Ook staat het geschil over het gebruik van domeingrond juridisch los van de vraag of de betrokken mennonieten rechtmatig in Suriname mogen verblijven.
Het bestaan van een landbouwkundige samenwerkingsovereenkomst vormt op zichzelf geen verblijfsvergunning voor buitenlandse werknemers of hun gezinsleden.
Rechter moet zich uitspreken over uitzetting
Volgens het kortgedingverzoek werden op maandag 26 oktober ongeveer zestig personen uit het gebied overgebracht naar Kraka in het district Para. Onder hen bevinden zich volgens de eisende partij drie baby’s en zeven kinderen tussen twee en zeven jaar.
Het landbouwbedrijf stelt dat de voorgenomen uitzetting grote gevolgen heeft voor zijn investeringen en landbouwactiviteiten. Volgens de eisende partij zijn zwaar materieel en andere kostbare goederen naar Suriname gebracht voor de uitvoering van het project.
Het bedrijf vindt de voorgenomen uitzetting een onevenredig zware maatregel en beroept zich daarbij onder meer op de bestaande afspraken met de overheid.
De rechter moet zich nu uitspreken over de gevorderde voorzieningen tegen de Staat.
Volgens advocaat Veira zal het vonnis vanwege het spoedeisende karakter van de zaak woensdag 28 oktober of uiterlijk donderdag 29 oktober 2026 worden uitgesproken.
Totdat de rechter beslist, blijft onduidelijk of het landbouwbedrijf de door hem gevraagde bescherming tegen de voorgenomen uitzetting zal krijgen.







