Maatschappelijke organisaties in Suriname roepen de regering en De Nationale Assemblée (DNA) op om de aanbevelingen die tijdens de Universal Periodic Review (UPR) in Genève zijn gedaan, om te zetten in concrete maatregelen.
Volgens BINI, Stichting Projekta en andere betrokken organisaties sluiten verschillende aanbevelingen van VN-lidstaten aan bij de knelpunten die zij eerder in een gezamenlijk schaduwrapport hebben aangekaart. Zij pleiten voor een openbaar uitvoeringsplan met duidelijke termijnen, budgetten en verantwoordelijke instanties.
Suriname heeft op maandag 2 november 2026 tijdens de vierde UPR-cyclus bij de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties verantwoording afgelegd over de mensenrechtensituatie in het land. Tijdens deze beoordeling deden verschillende landen aanbevelingen over onder meer de bescherming van kwetsbare groepen, de rechtspositie van Inheemse en tribale volken, de aanpak van geweld en de toegang tot onderwijs en gezondheidszorg.
De maatschappelijke organisaties wijzen erop dat veel van deze onderwerpen al jarenlang aandacht vragen, maar dat eerdere toezeggingen volgens hen onvoldoende zijn omgezet in daadwerkelijke verbeteringen.
Het gezamenlijke schaduwrapport werd onder leiding van Stichting Projekta en BINI ingediend. Ook VIDS, Women’s Rights Centre, STICRIS, Hadassah, Wan Okasi, Parea, IkSur en Dynamic Legal Advice leverden bijdragen.
Oproep tot onafhankelijk mensenrechteninstituut
Een van de belangrijkste aanbevelingen betreft de oprichting van een onafhankelijk nationaal mensenrechteninstituut. Onder meer Togo, Australië, Maleisië en Peru benadrukten dat een dergelijk instituut moet voldoen aan de internationale Principes van Parijs. Volgens de maatschappelijke organisaties moet wettelijk worden gegarandeerd dat het instituut onafhankelijk kan functioneren. Ook zijn transparante benoemingsprocedures, voldoende financiële middelen en een toegankelijk klachtenmechanisme noodzakelijk.
De Surinaamse delegatie noemde tijdens de beoordeling 2027 als streefjaar voor het functioneren van het instituut. Daarnaast vroeg Colombia aandacht voor de onafhankelijkheid en het volledig functioneren van het Constitutioneel Hof. De maatschappelijke organisaties hadden in hun rapport eveneens gewezen op problemen rond het functioneren van deze instelling en de mogelijke gevolgen voor de rechtsbescherming.
De Dominicaanse Republiek drong aan op onafhankelijk toezicht op politieoptreden en onderzoek naar buitensporig geweld. Daarbij verwijzen de organisaties naar de gebeurtenissen in Pikin Saron, die ook in hun rapport worden behandeld.
Meer bescherming voor slachtoffers van huiselijk geweld
De opvang en begeleiding van slachtoffers van huiselijk en seksueel geweld kregen eveneens aandacht tijdens de UPR. Nederland pleitte voor structurele financiële ondersteuning van opvanghuizen die door maatschappelijke organisaties worden beheerd. Ook moet volgens Nederland worden gezorgd voor toegankelijke opvang, gekwalificeerd personeel en slachtoffergerichte dienstverlening in het hele land.
België en Australië benadrukten eveneens het belang van betere opvangvoorzieningen. Canada en Mexico riepen Suriname op om de herziene wetgeving tegen huiselijk geweld aan te nemen en daadwerkelijk uit te voeren. Volgens de organisaties kampen opvanginstellingen momenteel met personeelstekorten, onvoldoende capaciteit en onzekere financiering. Ook zijn er beperkte mogelijkheden om slachtoffers na hun verblijf in een opvanghuis te begeleiden naar veilige huisvesting en zelfstandigheid.
Togo wees daarnaast op de noodzaak om de wettelijke bescherming tegen seksueel geweld en seksuele intimidatie uit te breiden naar ambtenaren. Volgens de maatschappelijke organisaties biedt de bestaande wetgeving op dit terrein onvoldoende bescherming aan werknemers in de publieke sector.
Grondenrechten Inheemse en tribale volken opnieuw op agenda
De erkenning van de collectieve rechten van Inheemse en tribale volken vormde opnieuw een belangrijk aandachtspunt tijdens de internationale beoordeling. Canada, Finland, Mexico en Nederland benadrukten dat Suriname verdere stappen moet zetten om deze rechten wettelijk te erkennen en te beschermen. Canada verwees daarbij expliciet naar uitspraken van het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens.
Costa Rica stelde voor een nationaal protocol te ontwikkelen voor vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming, internationaal bekend als Free, Prior and Informed Consent (FPIC). Mexico benadrukte dat deze toestemming ook gewaarborgd moet zijn bij het verlenen van concessies.
Volgens VIDS en IkSur is het noodzakelijk dat niet alleen de collectieve grondenrechten wettelijk worden erkend, maar ook de traditionele gezagsstructuren en de zeggenschap van gemeenschappen over besluiten die hun woon- en leefgebieden beïnvloeden. De organisaties wijzen erop dat economische activiteiten en concessieverlening gevolgen kunnen hebben voor het voortbestaan en de leefomgeving van deze gemeenschappen.
Zorgen over onderwijs en voorzieningen in het binnenland
Ook de rechten van kinderen, personen met een beperking en bewoners van het binnenland kregen aandacht. Portugal riep Suriname op om de Kinderombudsvoorziening volledig operationeel te maken en daarvoor voldoende middelen beschikbaar te stellen. Estland en Italië benadrukten het belang van een wettelijk verbod op lichamelijke bestraffing van kinderen in alle situaties.
Het Verenigd Koninkrijk vroeg aandacht voor bescherming van kinderen tegen seksueel misbruik, uitbuiting en mensenhandel, met bijzondere aandacht voor rurale gebieden en het binnenland. Panama pleitte voor verbetering van de schoolinfrastructuur en de beschikbaarheid van gekwalificeerde leerkrachten in Inheemse en tribale gemeenschappen.
Colombia en Maleisië deden aanbevelingen over de rechten van personen met een beperking, waaronder gelijke toegang tot onderwijs, werkgelegenheid en publieke dienstverlening. Deze knelpunten waren eerder ook door Wan Okasi in de schaduwrapportage aangekaart. De Dominicaanse Republiek benadrukte daarnaast dat bewoners van het binnenland gelijkwaardige toegang moeten krijgen tot gezondheidszorg, onderwijs en sociale bescherming.
Kritiek op reactie Suriname over LGBTQI+-rechten en abortus
Verschillende landen vroegen tijdens de beoordeling ook aandacht voor gelijke behandeling en bescherming tegen discriminatie. Spanje en het Verenigd Koninkrijk pleitten voor sterkere wettelijke bescherming tegen discriminatie en geweld op grond van seksuele oriëntatie en genderidentiteit. De maatschappelijke organisaties willen onder meer dat het Burgerlijk Wetboek en de Grondwet worden aangepast om LGBTQI+-personen gelijkwaardige bescherming te bieden op het gebied van familie-, vermogens- en erfrecht.
Mexico deed daarnaast een aanbeveling om abortus ten minste onder bepaalde omstandigheden te decriminaliseren. Het Verenigd Koninkrijk benadrukte het belang van vertrouwelijke en jongerenvriendelijke seksuele en reproductieve gezondheidszorg, evenals brede seksuele voorlichting.
BINI en de andere organisaties zeggen zich zorgen te maken over de reactie van de Surinaamse delegatie. Volgens hun verklaring stelde de delegatie dat Suriname cultureel nog niet klaar zou zijn voor alle rechten rond abortus en LGBTQI+-personen. De organisaties vinden dat culturele opvattingen geen reden mogen zijn om internationale mensenrechtenverplichtingen niet na te komen. Zij benadrukken dat de staat verantwoordelijk is voor het tegengaan van discriminatie en het waarborgen van gelijke rechtsbescherming.
Organisaties willen meetbare resultaten
Volgens BINI, Stichting Projekta en de overige organisaties bieden de aanbevelingen in Genève een nieuwe gelegenheid om structurele tekortkomingen in de mensenrechtenbescherming aan te pakken. Zij benadrukken dat de regering niet moet volstaan met het onderschrijven van internationale aanbevelingen, maar duidelijk moet maken welke maatregelen worden getroffen, wanneer deze worden uitgevoerd en welke middelen daarvoor beschikbaar zijn.
Daarom roepen zij de regering en DNA op om een openbaar uitvoeringsplan op te stellen, zodat de samenleving kan volgen welke vooruitgang wordt geboekt. Volgens de organisaties ligt de verantwoordelijkheid voor aantoonbare verbetering van de mensenrechtensituatie uiteindelijk bij de Surinaamse staat.





















