De voorbereiding van de Surinaamse mensenrechtenrapportage aan de Verenigde Naties is bemoeilijkt doordat verschillende ministeries en overheidsinstanties onvoldoende of niet tijdig informatie hebben aangeleverd. Volgens minister Harish Monorath van Justitie en Veiligheid heeft het Bureau Mensenrechten maar liefst 64 brieven verstuurd om de benodigde gegevens te verzamelen. De reacties daarop bleven in verschillende gevallen uit of waren ontoereikend.
Dat zei de bewindsman maandag 2 november 2026 in een gesprek met Key News in Genève, kort nadat Suriname zijn vierde Universal Periodic Review (UPR) had gepresenteerd bij de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties.
Volgens Monorath moest het Bureau Mensenrechten daardoor regelmatig zelf op zoek naar informatie over ontwikkelingen en maatregelen die in Suriname al waren uitgevoerd. Hierdoor dreigden belangrijke resultaten van de overheid buiten de internationale rapportage te blijven.
De minister noemde onder meer recente wettelijke ontwikkelingen en maatregelen op het gebied van volksgezondheid en mensenrechten. Sommige daarvan konden niet meer in het oorspronkelijke rapport worden verwerkt, omdat de indieningstermijn al was verstreken.
Monorath vindt dat Suriname meer aandacht moet besteden aan het verzamelen, analyseren en tijdig delen van gegevens. Juist bij internationale beoordelingen zijn betrouwbare en actuele gegevens volgens hem noodzakelijk om de werkelijke vooruitgang van het land zichtbaar te maken.
Grondenrechten blijven belangrijk knelpunt
Een van de belangrijkste onderwerpen tijdens de VN-beoordeling was de erkenning van de collectieve grondenrechten van Inheemse en Tribale volken.
Monorath erkende dat Suriname op dit gebied nog belangrijke verplichtingen moet nakomen. Daarbij verwees hij naar internationale rechterlijke uitspraken, waaronder het Kaliña- en Lokono-vonnis en het Saramaka-vonnis.
De bewindsman benadrukte dat de erkenning van collectieve rechten niet uitsluitend een kwestie is van wetgeving aannemen. Volgens hem moeten ook de betrokken gemeenschappen worden geraadpleegd, moet maatschappelijk draagvlak worden gecreëerd en moeten de afspraken daadwerkelijk uitvoerbaar zijn.

Tijdens het interview werd Monorath geconfronteerd met de aanhoudende onvrede onder inheemse gemeenschappen. Daarbij werd gewezen op de vreedzame protestactie in het dorp Cabenda, waar vertegenwoordigers van verschillende dorpen opnieuw aandacht vroegen voor de erkenning van hun rechten en de uitvoering van internationale vonnissen.
De minister erkende dat er nog veel werk moet worden verzet, maar benadrukte dat de regering het vraagstuk op haar agenda heeft geplaatst. Volgens hem is het belangrijk dat de internationale rapportage niet alleen behaalde resultaten beschrijft, maar ook duidelijk maakt welke verplichtingen nog openstaan.
Onafhankelijk mensenrechteninstituut nog altijd niet gerealiseerd
Ook het ontbreken van een onafhankelijk nationaal mensenrechteninstituut kwam tijdens de beoordeling nadrukkelijk aan de orde.
Monorath legde uit dat het bestaande Bureau Mensenrechten onderdeel is van de overheid en vooral belast is met de voorbereiding en coördinatie van internationale rapportages. Een nationaal mensenrechteninstituut moet daarentegen onafhankelijk kunnen onderzoeken en beoordelen in hoeverre de Staat zijn mensenrechtenverplichtingen nakomt.
Volgens de minister wordt momenteel gewerkt aan de wettelijke voorbereidingen. De regering streeft ernaar het instituut in 2027 operationeel te hebben.
India biedt ondersteuning aan
Monorath maakte tijdens het interview bekend dat India heeft aangeboden Suriname te ondersteunen bij het opzetten van het onafhankelijke mensenrechteninstituut.
Volgens de minister is hij tijdens zijn verblijf in Genève door vertegenwoordigers van India benaderd om hierover verder te spreken.
Daarnaast vinden gesprekken plaats met vertegenwoordigers van andere landen, waaronder Nederland. De minister ziet de VN-bijeenkomst daarom niet alleen als een beoordelingsmoment, maar ook als een gelegenheid om internationale samenwerking te versterken.
Wetten aannemen is niet voldoende
Een terugkerend onderwerp in het gesprek was de vraag in hoeverre Suriname daadwerkelijk uitvoering geeft aan internationale verplichtingen.
Monorath erkende dat het aannemen van wetten en het doen van toezeggingen niet automatisch betekenen dat mensenrechten voldoende worden beschermd. Vooral de handhaving en de daadwerkelijke uitvoering vormen volgens hem een grote uitdaging.
Hij verwees onder meer naar wetgeving tegen huiselijk geweld, seksuele intimidatie op de werkvloer, maatregelen ter bescherming van kinderen en de afschaffing van de doodstraf.
De minister wees erop dat op 20 oktober vier Haagse verdragen op het gebied van internationale kinderbescherming en familierecht door De Nationale Assemblée zijn goedgekeurd. Deze ontwikkelingen konden niet meer volledig in de eerder ingediende rapportage worden opgenomen.
Ook moet Suriname nog internationale formaliteiten afronden die verband houden met de definitieve vastlegging van de afschaffing van de doodstraf binnen het internationale verdragskader.
Volgens Monorath moet Suriname zich bij de volgende UPR-cyclus vooral kunnen verantwoorden over de concrete resultaten van de maatregelen die inmiddels zijn genomen.
Aanbevelingen van 68 landen
Suriname was op maandag 2 november het eerste van veertien landen dat tijdens de 53e UPR-sessie werd beoordeeld.
Volgens Monorath hebben 68 landen aanbevelingen gedaan. Daarbij kwamen onder andere kinderrechten, de positie van kwetsbare groepen, grondenrechten, onderwijs, gezondheidszorg en de oprichting van onafhankelijke mensenrechteninstellingen aan de orde.
Tijdens het gesprek werd de minister ook gevraagd naar de geloofwaardigheid van het beoordelingsproces, aangezien sommige landen die aanbevelingen doen zelf met ernstige mensenrechtenproblemen kampen.
Monorath benadrukte dat de UPR in de eerste plaats bedoeld is om landen te beoordelen op internationale verplichtingen en aanbevelingen waaraan zij zich hebben verbonden. Volgens hem moeten de opmerkingen van andere landen daarom serieus worden genomen, ongeacht hun eigen situatie.
Mensenrechten en migratiebeleid
Ook het Surinaamse migratiebeleid kwam ter sprake. Daarbij werd verwezen naar opmerkingen van Haïti tijdens de beoordeling en de recente uitzetting van een groep mennonieten uit Suriname.
Monorath gaf aan niet te denken dat de vragen van Haïti specifiek betrekking hadden op de mennonietenkwestie.
Wel benadrukte hij dat de toepassing van wet- en regelgeving op vreemdelingen op een menselijke en rechtvaardige manier moet plaatsvinden. Daarbij wees hij op het uitgangspunt van gelijkheid voor de wet.
De minister stelde dat de overheid de wet moet handhaven, maar dat dit niet mag betekenen dat de menselijke waardigheid uit het oog wordt verloren.
Rapport op 13 november
De beoordeling van Suriname wordt begeleid door drie landen: Bolivia, Mauritius en Cyprus. Deze zogenoemde troika vervult binnen de UPR-procedure een rapporterende en faciliterende rol.
Volgens het officiële VN-programma staat de aanneming van het rapport met aanbevelingen gepland voor vrijdag 13 november 2026.
Monorath zegt tevreden te zijn met het verloop van de beoordeling. Hij benadrukte dat Suriname, ondanks zijn beperkte middelen en relatief kleine bevolking, volgens hem vooruitgang heeft geboekt.
Tegelijkertijd erkent de bewindsman dat veel verbeteringen nog moeten worden gerealiseerd.
Vooral een betere samenwerking tussen ministeries, betrouwbare gegevensverzameling en daadwerkelijke handhaving van mensenrechtenwetgeving moeten ervoor zorgen dat Suriname bij een volgende internationale beoordeling meer concrete resultaten kan presenteren.

















