De Surinaamse overheid heeft volgens minister Harish Monorath van Justitie en Politie ongeveer SRD 1 miljoen uitgegeven aan het vervoer van een groep van circa zestig mennonieten die uit het Mansoniagebied zijn verwijderd.
De minister stelt dat de betrokkenen niet beschikten over de vereiste verblijfs- en werkvergunningen en werkzaamheden verrichtten op een terrein waarvoor zij geen toestemming hadden. Inmiddels hebben de mennonieten een nieuw kort geding aangespannen om hun uitzetting uit Suriname tegen te houden.
Dat zegt Monorath in een interview met Raoul Roeplal van ABC. Volgens de bewindsman gaat het voornamelijk om personen afkomstig uit Bolivia en enkele uit Mexico. Onder de groep bevinden zich meerdere gezinnen met jonge kinderen, waaronder baby’s van enkele maanden oud.
De minister legt uit dat de autoriteiten al in juli een bezoek brachten aan het gebied waar de mennonieten verbleven. Tijdens dat bezoek werden volgens hem verschillende onregelmatigheden vastgesteld. Zo konden meerdere personen hun paspoort niet overleggen, omdat de documenten volgens hen bij gezinshoofden lagen die op dat moment niet bereikbaar waren.
De betrokkenen kregen daarop de gelegenheid hun verblijfsdocumenten bij de autoriteiten in Paramaribo aan te bieden of het gebied te verlaten. Volgens Monorath hebben zij daaraan geen gehoor gegeven. Ook na een herhaalde oproep via de media en een betekening door een deurwaarder bleef de situatie ongewijzigd.
Drie redenen voor verwijdering
Monorath noemt drie redenen die volgens hem aanleiding vormden voor het optreden van de autoriteiten. Allereerst was de verblijfsstatus van verschillende personen niet in orde of niet vastgesteld. Daarnaast zouden zij werkzaamheden hebben verricht zonder over een geldige werkvergunning te beschikken. Ten derde bevonden zij zich volgens de minister op een terrein dat hun niet toebehoorde en waar zij zonder toestemming werkzaamheden uitvoerden.
Volgens Monorath zijn de paspoorten van alle betrokkenen inmiddels gecontroleerd. Uit navraag bij de afdeling Vreemdelingenzaken is volgens hem niet gebleken dat de betrokken mennonieten aanvragen voor een verblijfsvergunning hadden ingediend.
De minister reageert daarmee ook op berichten dat voor de groep aanvragen voor een machtiging tot kort verblijf (MKV) zouden zijn ingediend. Volgens hem zijn daarvan bij de bevoegde afdeling geen documenten aangetroffen.
Hij geeft aan dat sommige personen al ongeveer een jaar in Suriname verblijven. Vier personen zouden volgens zijn informatie nog over een geldige toestemming voor vakantieverblijf beschikken, vermoedelijk tot medio november. Ook voor hen geldt volgens Monorath dat een toeristisch verblijf geen toestemming geeft om werkzaamheden te verrichten.
Nieuw kort geding tegen uitzetting
Voorafgaand aan de ontruiming hadden de mennonieten via hun advocaat een spoedkortgeding aangespannen om de verwijdering uit het gebied tegen te houden. Volgens Monorath werd die vordering door de rechter afgewezen.
Daarna werden ongeveer zestig personen naar Paramaribo overgebracht met de bedoeling hen uit Suriname uit te zetten.
Inmiddels is een tweede kort geding aangespannen, ditmaal gericht tegen de voorgenomen uitzetting naar hun landen van herkomst. De rechter heeft tijdens de zitting aangegeven op zijn laatst donderdag een vonnis uit te spreken en moet zich buigen over het geen dat is voorgehouden door beide partijen. Advocaat Derrick Veira vertegenwoordigde zijn client Suriname Green Energy Agriculture N.V., onder leiding van Roy Kong-A-Foek en advocaat van de staat was Dwight Kraag.
Transport kost overheid ongeveer SRD 1 miljoen
Op de vraag waarom de autoriteiten niet eerder hebben ingegrepen, wijst Monorath op de logistieke en financiële uitdagingen bij het optreden in afgelegen gebieden.
Volgens hem heeft het vervoer naar het gebied en het terugbrengen van de betrokkenen de overheid ongeveer SRD 1 miljoen gekost.
Alleen al voor de oversteek per boot moest volgens de minister SRD 3.000 per voertuig per enkele reis worden betaald. Daarnaast vergde de operatie de nodige voorbereiding.
Monorath weerspreekt dat de autoriteiten te laat in beweging zijn gekomen. Hij benadrukt dat de betrokkenen al in juli waren gewaarschuwd.
Minister wijst op verantwoordelijkheid ondernemers
Tijdens het interview werd Monorath ook gevraagd naar mogelijke consequenties voor ondernemers die de komst en werkzaamheden van de mennonieten in Suriname hebben gefaciliteerd.
Volgens de minister moeten ondernemers zelf nagaan of buitenlandse werknemers over de vereiste vergunningen beschikken.
“Je kan als ondernemer in Suriname niet zomaar komen en mensen brengen om in je bedrijf te werken zonder te beschikken over de geldige toestemming en vergunningen”, aldus Monorath.
De bewindsman gaf echter aan dat hij zich bij deze kwestie richt op de verblijfsstatus, het ontbreken van werkvergunningen en het verblijf op het betreffende terrein. Eventuele privaatrechtelijke afspraken tussen de mennonieten en ondernemers moeten volgens hem door de betrokken partijen onderling worden afgehandeld, zo nodig via de rechter.
Op de vraag of onderzocht is wie de reis van de betrokkenen naar Suriname heeft gefinancierd, antwoordde Monorath dat er onderzoek is verricht, maar dat hij niet beschikt over de specifieke details daarvan.
Ook baby’s en schoolgaande kinderen onder betrokkenen
Monorath bevestigt verder dat zich onder de groep meerdere gezinnen met minderjarige kinderen bevinden. Hij noemt baby’s van enkele maanden oud en kinderen van onder meer drie, zes en tien jaar.
Hoeveel gezinnen precies door de autoriteiten zijn overgebracht, kon de minister niet aangeven.
De aanwezigheid van kinderen brengt volgens hem aanvullende vraagstukken met zich mee, onder meer op het gebied van onderwijs.
Vooralsnog blijft de vraag of de betrokken mennonieten daadwerkelijk uit Suriname zullen worden gezet afhankelijk van de verdere juridische procedure. De rechter moet zich nog uitspreken over hun verzoek om de uitzetting tegen te houden.







