Een financieel onderzoek naar het Viskeuringsinstituut (VKI) heeft meerdere tekortkomingen aan het licht gebracht in het financieel beheer, de interne controle en de bestuurlijke organisatie van het instituut. Valutaconversies via privébankrekeningen, risico’s op belangenverstrengeling, onduidelijke betalingsbevoegdheden en een jarenlange achterstand bij gecontroleerde jaarrekeningen behoren tot de belangrijkste bevindingen.
Dat blijkt uit een rapport van Vliet Accountants & Consultants N.V. van 10 juli 2026, dat in handen is van Key News. Het onderzoek heeft betrekking op de boekjaren 2024 en 2025 en werd uitgevoerd in opdracht van de huidige Raad van Toezicht (RvT).
Volgens de onderzoekers zijn gedurende de onderzochte periode meerdere materiële tekortkomingen vastgesteld in de naleving van de statuten, de formele besluitvorming en de interne beheersing. Hoewel een belangrijk deel van de onderzochte geldstromen administratief kon worden herleid en voor veel transacties goedkeuringen beschikbaar waren, ontbraken op verschillende terreinen duidelijke beleidsregels en schriftelijk vastgelegde controleprocedures.
Het Viskeuringsinstituut vervult een belangrijke publieke taak binnen de Surinaamse visserijsector. Het instituut is verantwoordelijk voor toezicht op de kwaliteit en voedselveiligheid van visserij- en aquacultuurproducten en voert onder meer inspecties, certificeringen en laboratoriumonderzoek uit. Volgens het onderzoeksrapport zijn betrouwbaarheid en transparantie daarom van wezenlijk belang voor het vertrouwen van internationale handelspartners.
Valutatransacties via privébankrekeningen
Een van de opvallendste bevindingen betreft het gebruik van privébankrekeningen voor valutaconversies ten behoeve van het VKI.
Uit de onderzochte transacties blijkt dat in 2024 en 2025 via drie betrokken personen in totaal USD 816.100 werd omgezet naar Surinaamse dollars. De daadwerkelijk ontvangen SRD-bedragen lagen gezamenlijk SRD 1.648.693 lager dan de tegenwaarde berekend volgens de referentiekoersen van de Centrale Bank van Suriname (CBvS).
Het grootste koersverschil, SRD 889.187, werd vastgesteld bij transacties waarbij H.J. de Vries betrokken was. Bij valutawisselingen door voormalig directeur ging het om SRD 610.716 en bij transacties door voormalig financieel manager om SRD 148.790.
De onderzoekers constateerden dat voor een belangrijk deel van de transacties goedkeuringen van de Raad van Toezicht beschikbaar waren. Er werden echter geen formele koersafspraken, treasurybeleid of andere documenten aangetroffen waarin de gehanteerde wisselkoersen en werkwijze voldoende waren vastgelegd.
Het rapport benadrukt dat het berekende koersverschil niet zonder meer als financieel verlies kan worden aangemerkt. De onderzoekers hebben namelijk niet vastgesteld of het VKI de valuta op de betreffende transactiedata daadwerkelijk tegen de CBvS-koersen had kunnen wisselen.
Evenmin is onderzocht of andere marktkoersen beschikbaar waren. Wel constateren de onderzoekers dat het ontbreken van formele afspraken risico’s met zich meebracht voor de transparantie en controle op financiële transacties.
Risico’s op belangenverstrengeling
Ook de bestuurlijke inrichting van het VKI roept volgens het onderzoek vragen op. Zo is vastgesteld dat een lid van de Raad van Toezicht, gedurende een deel van de onderzoeksperiode meerdere rollen vervulde binnen en in relatie tot het instituut. Hij was niet alleen toezichthouder, maar ook procuratiehouder en als ondernemer afnemer van diensten van het VKI.
De onderzoekers wijzen erop dat deze combinatie van functies en zakelijke belangen een verhoogd risico op belangenverstrengeling met zich meebrengt.
Er werden geen formele integriteitsregelingen, verklaringen over mogelijke belangenconflicten of andere documenten aangetroffen waaruit blijkt hoe deze risico’s werden beheerst.
Daarnaast zijn transacties onderzocht met ondernemingen waarmee een familiale relatie met voormalig bestond. Daarbij ging het onder meer om betalingen aan GRU Smart Business Consulting en E.J. Import.
Het onderzoek heeft niet aangetoond dat bij deze situaties onbevoegde betalingen of ongeautoriseerde transacties hebben plaatsgevonden. De onderzoekers signaleren vooral het ontbreken van aantoonbare maatregelen om mogelijke belangenconflicten te voorkomen.
Toezichthouder kreeg ook vergoeding voor werkzaamheden financiële afdeling
Een ander aandachtspunt betreft de positie van een ander RvT-lid die in het rapport wel bij naam is genoemd.
Volgens het rapport werd zij met ingang van 15 januari 2025 voor een periode van één jaar aangesteld ter ondersteuning van de financiële afdeling van het VKI. Tegelijkertijd maakte zij deel uit van de Raad van Toezicht.
Uit de betalingsdocumentatie blijkt dat zij in 2025 USD 1.860 ontving voor haar toezichthoudende functie en daarnaast USD 7.140 voor haar werkzaamheden op de financiële afdeling. In totaal gaat het om USD 9.000 aan vergoedingen voor beide functies.
De onderzoekers constateerden dat geen formele documenten werden aangetroffen waaruit blijkt dat de combinatie van functies vooraf op mogelijke belangenconflicten was beoordeeld of dat specifieke maatregelen waren getroffen om dergelijke risico’s te beperken.
Wel werd vastgesteld dat de RvT lid geen procuratiehouder was en dat er geen aanwijzingen zijn gevonden dat zij zelfstandig betalingen heeft goedgekeurd of financiële verplichtingen namens het instituut is aangegaan.
Volgens het rapport brengt de gelijktijdige vervulling van een toezichthoudende en uitvoerende functie governance-risico’s met zich mee, met name wanneer de scheiding tussen toezicht en uitvoering niet formeel is vastgelegd.
Financiële transacties voor voedselveiligheidsinstituut
Het onderzoek richtte zich eveneens op financiële transacties tussen het VKI en het Nationaal Instituut voor Voedselveiligheid Suriname (NIVS).
Daarbij is vastgesteld dat het VKI verschillende kosten ten behoeve van het NIVS heeft voorgeschoten of betaald.
Hoewel voor een deel van deze transacties verklaringen beschikbaar waren, werden geen volledige formele overeenkomsten of bestuursbesluiten aangetroffen waarin de financiële afspraken, goedkeuringen en kostenverrekening waren geregeld.
Volgens de onderzoekers kon daardoor niet voor alle onderzochte transacties worden vastgesteld of de kosten op de juiste wijze tussen beide instellingen waren verrekend.
Het NIVS is een afzonderlijke organisatie. Juist daarom is volgens het rapport een duidelijke scheiding van financiële verantwoordelijkheden noodzakelijk.
Onduidelijkheid over betalingsbevoegdheden
Ook bij de autorisatie van betalingen zijn tekortkomingen geconstateerd.
Uit een handtekeningenkaart van de Surinaamse Postspaarbank uit augustus 2024 blijkt dat voormalig directeur zelfstandig betalingen kon autoriseren tot SRD 10.000 of USD 3.000.
Volgens de statuten van het VKI was voor bepaalde transacties met roerende goederen boven SRD 10.000 echter voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de Raad van Toezicht vereist.
Door het verschil tussen deze grens en de bancaire autorisatiegrens van USD 3.000 konden betalingen plaatsvinden die volgens de bankregels door de directeur zelfstandig mochten worden goedgekeurd, terwijl de statuten voor bepaalde transacties aanvullende goedkeuring voorschreven.
De onderzoekers constateerden dat een formele regeling ontbrak waarin de bancaire bevoegdheden en statutaire bepalingen duidelijk op elkaar waren afgestemd.
Bij de onderzochte transacties via de SRD-bankrekening werden overigens geen afwijkingen vastgesteld in de aangetroffen autorisaties.
VKI jarenlang zonder definitief gecontroleerde jaarrekeningen
Een andere belangrijke bevinding betreft de achterstand in de financiële verslaggeving. De meest recente definitief gecontroleerde jaarrekening die de onderzoekers aantroffen, had betrekking op het boekjaar 2020.
Voor de boekjaren 2021 tot en met 2024 waren wel conceptjaarrekeningen opgesteld, maar deze waren gedurende de onderzoeksperiode nog niet definitief vastgesteld en voorzien van een accountantsverklaring.
Dit betekent dat het bestuur en de Raad van Toezicht meerdere jaren voor hun financiële beoordeling waren aangewezen op conceptcijfers.
Volgens de onderzoekers kan een dergelijke situatie de transparantie van de financiële verslaggeving en de kwaliteit van het financieel toezicht beperken.
Raad van Toezicht niet volgens statutaire samenstelling
Ook de samenstelling van de Raad van Toezicht voldeed in 2024 en 2025 niet aan de statutaire voorschriften. Volgens artikel 8 van de statuten moet de raad uit minimaal vijf en maximaal zeven leden bestaan. Gedurende de gehele onderzoeksperiode telde de raad echter slechts drie leden.
De statuten bepalen wel dat een onvoltallige Raad van Toezicht rechtsgeldig kan blijven functioneren zolang deze uit minimaal drie leden bestaat. De onderzoekers constateren daarom niet dat de raad onbevoegd was, maar wel dat de voorgeschreven minimale samenstelling gedurende beide jaren niet werd bereikt.
Uit de beschikbare documentatie blijkt bovendien niet dat in die periode concrete stappen zijn ondernomen om de openstaande plaatsen in te vullen.
Tekortkomingen bij debiteurenbeheer
Het onderzoek bracht daarnaast problemen aan het licht bij de inning van openstaande vorderingen. Bij verschillende grote debiteuren constateerden de onderzoekers oplopende openstaande saldi. Over het boekjaar 2024 werden geen aanmaningsbrieven, ingebrekestellingen of andere documenten aangetroffen waaruit blijkt dat structurele invorderingsmaatregelen werden getroffen.
Pas tegen het einde van 2025 werd volgens het rapport begonnen met het schriftelijk benaderen van debiteuren met betalingsachterstanden.
Door het ontbreken van een structureel debiteurenbeheer bestond volgens de onderzoekers het risico dat openstaande bedragen langer onbetaald bleven en de liquiditeitspositie van het instituut onder druk kwam te staan.
Geen volledige accountantscontrole
Vliet Accountants & Consultants benadrukt dat het onderzoek geen integrale accountantscontrole of assurance-opdracht betreft.
De werkzaamheden waren risicogericht en hadden betrekking op geselecteerde transacties, documenten, bevoegdheden en bestuurlijke processen.
Er wordt dan ook geen zekerheid verstrekt over de volledigheid, juistheid of rechtmatigheid van de gehele financiële administratie van het VKI.
De onderzoekers stellen wel vast dat de onderzochte transacties grotendeels administratief konden worden herleid en dat voor een belangrijk deel van de betalingen autorisaties beschikbaar waren.
Tegelijkertijd ontbraken volgens het rapport op meerdere terreinen de formele procedures die noodzakelijk zijn voor aantoonbaar en transparant financieel bestuur.
Onderzoekers adviseren verbeteringen
Naar aanleiding van de bevindingen adviseren de onderzoekers het VKI om onder meer een integraal governance- en integriteitsbeleid vast te stellen.
Daarnaast worden een formele bevoegdhedenregeling, duidelijke procedures voor aanbestedingen en inkopen, treasurybeleid voor valutatransacties en een gestructureerd debiteurenbeheer aanbevolen.
Ook moet volgens het rapport de administratieve organisatie worden versterkt, zodat besluiten, goedkeuringen en financiële transacties beter worden gedocumenteerd.
De bevindingen werpen vragen op over de kwaliteit van het toezicht op het VKI gedurende de boekjaren 2024 en 2025 en de verantwoordelijkheid van de betrokken bestuurders en toezichthouders.
Vooralsnog is op basis van het rapport niet duidelijk in hoeverre de geconstateerde tekortkomingen inmiddels zijn verholpen en welke bestuurlijke maatregelen naar aanleiding van de onderzoeksresultaten zijn genomen.
Key News zal de betrokken personen en instanties om een reactie vragen op de bevindingen uit het onderzoeksrapport. Eventuele reacties en aanvullende informatie zullen in een vervolgpublicatie worden verwerkt.







