Het Openbaar Ministerie heeft tegen de verdachten M.M.G. en A.R.H. een gevangenisstraf van vier jaar geëist, waarvan één jaar voorwaardelijk, in een zaak rond mensenhandel. Volgens het OM hebben de twee zich gedurende langere tijd schuldig gemaakt aan het misleiden, vervoeren, huisvesten en uitbuiten van kwetsbare Cubaanse vrouwen.
De vrouwen zouden onder valse voorwendselen naar Suriname zijn gehaald, met de belofte van werk en betere leefomstandigheden. Eenmaal in Suriname werden zij volgens het OM geconfronteerd met een schuld die veel hoger was dan vooraf met hen was besproken. Die schuld liep op tot USD 5.000 en moest worden afgelost door het verrichten van prostitutiewerkzaamheden.
Uit het strafrechtelijk onderzoek komt volgens het OM naar voren dat verdachte A.R.H. via WhatsApp contact onderhield met vrouwen in Cuba. Zij informeerde hen over een vermeende werkmogelijkheid in Suriname en was ook betrokken bij het regelen van hun reis. Na aankomst werden de vrouwen opgevangen en vervolgens onder druk gezet om te werken.
Volgens het OM moesten de slachtoffers dagelijks beschikbaar zijn, ook wanneer zij ziek waren of menstrueerden. Daarnaast zouden zij zijn bedreigd met de mededeling dat zij naar de goudvelden zouden worden gestuurd als zij niet zouden meewerken. Ook zou tegen de vrouwen zijn gezegd dat zij geen hulp van de politie hoefden te verwachten, omdat er vermeende contacten of invloed bij de politie zouden zijn.
Het OM stelt verder dat de bewegingsvrijheid en zelfstandigheid van de vrouwen ernstig werden beperkt. Zij stonden voortdurend onder toezicht en hun reisdocumenten werden volgens het Openbaar Ministerie door de verdachten beheerd.
Volgens het OM hebben de verdachten misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van meerdere buitenlandse vrouwen die naar Suriname kwamen in de hoop op een beter bestaan. Door hen met hoge schulden te belasten en onder druk prostitutiewerkzaamheden te laten verrichten, is volgens het OM ernstig inbreuk gemaakt op hun persoonlijke vrijheid en menselijke waardigheid.
Bij de strafeis heeft het Openbaar Ministerie ook omstandigheden meegewogen die in het voordeel van de verdachten kunnen spreken. Zo zijn beide verdachten in Suriname niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. In het geval van A.R.H. is daarnaast meegenomen dat uit het dossier aanwijzingen naar voren komen dat zij in het verleden vermoedelijk zelf slachtoffer is geweest van mensenhandel.
Volgens het OM illustreert dit de cyclus van mensenhandel, maar vormt het geen rechtvaardiging voor het uitbuiten van anderen. Ook heeft het OM meegewogen dat verklaringen van A.R.H. hebben bijgedragen aan de bevrijding van slachtoffers in een afzonderlijk onderzoek.















