Het Openbaar Ministerie (OM) gaat in de eerste invoeringsfase van de Verplichte Verklaring van Inkomen en Vermogen (VIV) gefaseerd optreden tegen publieke functionarissen die niet (tijdig) indienen. In een nieuwe richtlijn is vastgelegd dat in beginsel eerst wordt gewaarschuwd en vervolgens een hersteltermijn van zes maanden kan gelden, voordat een zaak inhoudelijk wordt beoordeeld.
De richtlijn is vastgesteld door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie en geeft aan hoe het OM omgaat met gevallen waarin publieke functionarissen niet voldoen aan de wettelijke plicht om de VIV in te dienen. Het document verwijst daarbij naar bepalingen uit de Anti-Corruptiewet en een staatsbesluit dat de invoering van de VIV regelt.
Juridisch uitgangspunt blijft: niet-indienen is strafbaar
Volgens de richtlijn blijft het niet naleven van de VIV-verplichting strafbaar gesteld. Het OM benadrukt dat de richtlijn geen wetswijziging is en ook geen formele verlenging van wettelijke termijnen betekent. De aanpak is volgens het OM een beleidsmatige invulling van het opportuniteitsbeginsel: het OM beslist zelfstandig of, wanneer en op welke wijze een zaak verder wordt behandeld.
Zes maanden hersteltermijn: alleen onder voorwaarden
Als een functionaris na het verstrijken van de wettelijke indieningstermijn nog niet heeft voldaan, hanteert het OM in beginsel een beleidsmatige hersteltermijn van zes maanden. Die ruimte geldt uitsluitend voor de beoordeling door het OM en laat de wettelijke plicht om in te dienen onverlet.
De hersteltermijn wordt volgens de richtlijn toegepast als:
- geen sprake is van opzettelijke weigering;
- geen sprake is van misleiding of fraude;
- betrokkene bereidheid toont alsnog te voldoen; en
- het gaat om de eerste indiening binnen de invoering van de VIV.
Gefaseerde werkwijze: waarschuwing, monitoring, daarna besluit
Het OM beschrijft een aanpak in drie fasen:
Fase 1 – waarschuwing: na melding ontvangt de publieke functionaris een formele waarschuwing met verwijzing naar de wettelijke verplichting, de strafbaarstelling en de mogelijkheid tot herstel binnen zes maanden.
Fase 2 – monitoring: gedurende de herstelperiode wordt gevolgd of alsnog wordt voldaan; de zaak wordt in die periode aangehouden.
Fase 3 – verdere behandeling: na afloop van de zes maanden beoordeelt het OM de zaak inhoudelijk en kan worden gekozen voor onder meer strafrechtelijk onderzoek, (voorwaardelijk) sepot of vervolging.
Uitzonderingen: bij weigering of misleiding kan OM direct doorpakken
De richtlijn noemt situaties waarin de herstelruimte niet geldt. Daarbij gaat het onder andere om expliciete weigering om te voldoen, het bewust frustreren van toezicht, het herhaald negeren van waarschuwingen en misleiding of vervalsing. In zulke gevallen kan het OM volgens de richtlijn onmiddellijk overgaan tot verdere behandeling van de zaak.
Geldigheid en evaluatie
De richtlijn treedt in werking op 16 februari 2026 en geldt voor de duur van zes maanden. Daarna vervalt zij van rechtswege op 15 augustus 2026, tenzij eerder gewijzigd of ingetrokken. Het OM kondigt aan dat de richtlijn na afloop van de eerste indieningstermijn zal worden geëvalueerd, onder meer op basis van nalevingspercentages en bevindingen van betrokken instanties.











