De Zesde Agrarische Telling legt duidelijke verschillen bloot tussen landbouwers in de kustgebieden en het binnenland. Vooral het opleidingsniveau springt eruit en dwingt de overheid om landbouwvoorlichting, modernisering en voedselzekerheidsbeleid beter af te stemmen op regionale omstandigheden.
De Zesde Agrarische Telling biedt de overheid een nieuwe basis om het landbouwbeleid gerichter vorm te geven. Uit het statistiekrapport blijkt dat basisonderwijs, het vroegere GLO niveau, landelijk het meest voorkomende opleidingsniveau is onder landbouwers. Tegelijkertijd zijn er grote regionale verschillen, vooral tussen de kustgebieden en dorpsgemeenschappen in het binnenland.
Hoger onderwijs komt volgens de resultaten vrijwel uitsluitend voor onder landbouwers in de kustgebieden. In het binnenland bevinden zich juist relatief meer landbouwers zonder formeel onderwijs. Dat verschil is belangrijk voor de manier waarop kennis, nieuwe technieken en overheidsprogramma’s worden aangeboden aan producenten.
Het statistiekrapport werd zaterdag 8 augustus 2026 gepresenteerd in de Ballroom van Torarica. Minister Mike Noersalim van Landbouw, Veeteelt en Visserij zei bij de lancering dat de regionale onderwijsprofielen gebruikt moeten worden om de agrarische voorlichting aan te passen. Trainingen moeten volgens hem toegankelijk en praktisch zijn en traditionele kennis verbinden met moderne landbouwtechnieken.
Zesde Agrarische Telling toont regionale verschillen
De cijfers maken duidelijk dat één uniforme aanpak voor alle landbouwers niet vanzelfsprekend effectief is. Een producent in een kustdistrict kan andere kennis, voorzieningen en toegang tot technologie hebben dan een landbouwer in een afgelegen dorpsgemeenschap. Voor LVV betekent dit dat voorlichting niet alleen inhoudelijk, maar ook qua taal, methode en bereik moet aansluiten op de doelgroep.
Noersalim benadrukte dat achter de tabellen en statistieken dagelijkse ervaringen van landbouwers schuilgaan. Volgens hem vertelt het rapport het verhaal van de landbouwgronden, de inzet van producenten, de nationale voedselzekerheid en de richting waarin de sector zich verder kan ontwikkelen. Daarmee wil het ministerie voorkomen dat de telling uitsluitend als een verzameling cijfers wordt gezien.
De telling moet richting geven aan landbouwbeleid dat beter aansluit op de werkelijkheid van boeren.
Onderwijsniveau wordt belangrijk voor landbouwvoorlichting
De verschillen in opleidingsniveau kunnen gevolgen hebben voor de wijze waarop nieuwe landbouwmethoden worden geïntroduceerd. Digitale toepassingen, administratie, certificering en technische instructies vragen soms om een andere vorm van begeleiding dan mondelinge of praktijkgerichte kennisoverdracht. Vooral in het binnenland kan daarom meer nadruk nodig zijn op demonstraties, lokale begeleiding en trainingen die aansluiten bij bestaande landbouwkennis. Dat kan betekenen dat voorlichters vaker naar gemeenschappen toe moeten gaan, voorbeelden op het veld moeten gebruiken en informatie in een vorm moeten aanbieden die ook zonder uitgebreide formele scholing goed toepasbaar is. Zo wordt kennisoverdracht niet alleen een kwestie van informatie verstrekken, maar ook van bereikbaarheid en praktische bruikbaarheid.
De minister stelde dat Suriname klaar moet zijn om de agrarische productie op te schalen en verder te moderniseren. Volgens hem kan het land daarmee niet alleen de eigen voedselvoorziening versterken, maar ook een grotere bijdrage leveren aan de regionale voedselzekerheid. De gegevens uit de telling moeten daarbij fungeren als nulmeting voor toekomstige programma’s en investeringen.
Data moeten basis vormen voor gerichte investeringen
Een gedetailleerd beeld van landbouwers en productiesystemen kan helpen om schaarse middelen doelgerichter in te zetten. Beleidsmakers kunnen bijvoorbeeld beter bepalen waar behoefte bestaat aan technische ondersteuning, scholing, infrastructuur, financiering of toegang tot markten. Ook kunnen toekomstige projecten nauwkeuriger worden gevolgd wanneer duidelijk is wat de uitgangssituatie per regio is. De overheid kan dan beter beoordelen of ondersteuning daadwerkelijk terechtkomt bij de groepen die deze het hardst nodig hebben. Voor landbouworganisaties en internationale partners biedt zo’n nulmeting bovendien een referentiepunt om resultaten van nieuwe programma’s later te vergelijken met de huidige situatie.
De Surinaamse overheid beschreef de Zesde Agrarische Telling eerder als een basis voor empirisch onderbouwde besluitvorming binnen de agrarische sector. De telling werd uitgevoerd met ondersteuning van internationale partners en moest actuele informatie opleveren over agrarische huishoudens, productie en de omstandigheden waaronder landbouwers werken.
Klimaat en markt leggen extra druk op landbouwsector
Noersalim wees bij de presentatie ook op de bredere uitdagingen waarmee de sector wordt geconfronteerd. Klimaatverandering, verstoringen op markten en veranderende internationale eisen maken het volgens hem noodzakelijk om landbouwbeleid sterker op betrouwbare gegevens te baseren. Besluiten over productie, ondersteuning en investeringen kunnen daardoor minder afhankelijk worden van aannames of algemene inschattingen.
Die noodzaak speelt ook bij thema’s als klimaatbestendige teelt, voedselveiligheid en exportmogelijkheden. Landbouwers krijgen te maken met eisen rond kwaliteit, registratie en productiemethoden, terwijl extreme weersomstandigheden en veranderende prijzen de bedrijfsvoering kunnen beïnvloeden. Gerichte kennisoverdracht wordt daardoor steeds belangrijker voor zowel kleine producenten als grotere agrarische bedrijven. Het onderwijsprofiel uit de telling kan helpen om te bepalen welke begeleiding haalbaar is en waar aanvullende ondersteuning nodig is om producenten mee te krijgen in veranderingen rond techniek, kwaliteitseisen en markttoegang.
Voedselzekerheid vraagt om beleid per regio
Key News berichtte eerder dat de zesde telling werd opgezet om na jaren opnieuw actuele structurele informatie over de landbouwsector te verzamelen. In een eerder artikel over de voorbereiding van de Zesde Agrarische Telling werd al gewezen op het belang van recente gegevens voor beleidsanalyse en planning.
De nieuwe resultaten geven de overheid nu meer mogelijkheden om verschillen tussen gebieden zichtbaar te maken. Dat is van belang omdat landbouw in Suriname uiteenloopt van commerciële productie in de kustvlakte tot traditionele en kleinschalige landbouw in dorpsgemeenschappen. Beleid dat rekening houdt met die verschillen kan voorkomen dat bepaalde groepen landbouwers onvoldoende worden bereikt door trainingen, financiering of technische ondersteuning. Daarbij blijft het belangrijk dat de overheid niet alleen kijkt naar de beschikbaarheid van programma’s, maar ook naar de vraag of landbouwers deze in de praktijk kunnen vinden, begrijpen en gebruiken. Juist daar kan het statistiekrapport richting geven aan een regionale aanpak.
Internationale partners ondersteunen landbouwdata
De minister bedankte de Inter Amerikaanse Ontwikkelingsbank, de Voedsel en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties en het Inter American Institute for Cooperation on Agriculture voor hun financiële en technische ondersteuning. Ook sprak hij waardering uit voor Sheila Aldjah en het uitvoeringsteam dat betrokken was bij de telling.
Volgens Noersalim verdienen vooral de landbouwers erkenning, omdat zij hun bedrijven, velden en ervaringen beschikbaar hebben gesteld voor het onderzoek. De waarde van het rapport zal uiteindelijk afhangen van de mate waarin de verzamelde informatie wordt omgezet in zichtbaar beleid, praktische ondersteuning en investeringen die landbouwers in verschillende delen van Suriname daadwerkelijk bereiken.








