De kantonrechter heeft dinsdag 23 juni 2026 de vorderingen van Baitali tegen de Staat Suriname afgewezen. De zaak draaide om de uitvoering van een eerder vonnis van 10 juli 2025 in verband met een aanbestedingstraject van het ministerie van Openbare Werken.
Baitali had de Staat opnieuw voor de rechter gedaagd, omdat volgens het bedrijf geen uitvoering was gegeven aan het eerdere vonnis. Het bedrijf eiste onder meer dat de Staat binnen twee dagen een afschrift zou verstrekken van het onderhandelingsrapport en alle overige documenten die op 7 maart 2025 aan de Inter-American Development Bank (IDB) waren doorgestuurd voor goedkeuring. Bij niet-naleving vroeg Baitali om een dwangsom van SRD 10 miljoen per overtreding en SRD 1 miljoen per dag.
Volgens Baitali zou de Staat niet hebben gehandeld conform de geldende aanbestedingsregels. Het bedrijf stelde dat contact of afstemming tussen de Staat en Kuldipsingh buiten het formele aanbestedingskader zou hebben plaatsgevonden. Dat zou volgens Baitali in strijd zijn met het transparantiebeginsel.
Daarnaast vroeg Baitali de rechter om de eerder opgelegde dwangsom te verhogen naar SRD 1 miljoen per dag, omdat de bestaande dwangsom volgens het bedrijf onvoldoende prikkel vormde voor de Staat om het vonnis uit te voeren. Ook wilde Baitali dat de Staat zou worden veroordeeld in de proceskosten.
De Staat voerde verweer en stelde dat de vordering van Baitali te ruim, disproportioneel en onvoldoende bepaald was. Volgens de Staat hadden de gevraagde documenten betrekking op Kuldipsingh en niet op Baitali. Ook stelde de Staat dat de IDB eerst het evaluatierapport had goedgekeurd, waarna pas onderhandelingen met de inschrijver hebben plaatsgevonden. Van schending van aanbestedingsregels zou volgens de Staat geen sprake zijn.
Over de uitvoering van het eerdere vonnis stelde de Staat dat er wel degelijk een herbeoordeling van de inschrijving van Baitali heeft plaatsgevonden en dat dit ook schriftelijk aan het bedrijf is meegedeeld. Daardoor zou Baitali volgens de Staat geen spoedeisend belang meer hebben bij verdere uitvoering van het eerdere vonnis.
De Staat diende daarnaast een tegenvordering in. Daarin werd gevraagd om de verdere executie van het vonnis van 10 juli 2025 stop te zetten of te schorsen. Ook vroeg de Staat om de dwangsommen terug te brengen naar nihil vanaf 2 januari 2026 en om Baitali te verbieden het vonnis verder te executeren of de voortzetting van het project te verhinderen. Volgens de Staat maakt Baitali misbruik van haar executierecht en zou verdere executie leiden tot onevenredig nadeel voor de Staat, het algemeen belang en derden.
Baitali verzette zich tegen deze tegenvordering. Het bedrijf stelde dat de Staat zonder gegronde reden het eerdere vonnis niet uitvoert. Ook meende Baitali dat de IDB niet bevoegd zou zijn de financiering stop te zetten en dat de Staat de IDB zou moeten dwingen de leenovereenkomst na te leven.
De kantonrechter oordeelde dat Baitali bij haar eerste vordering niet heeft voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor inzage in documenten, zoals bedoeld in artikel 843a lid 1 van het Nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Deze vordering werd daarom afgewezen.
Ook de tweede vordering van Baitali werd niet toegewezen. De rechter stelde vast dat het vonnis van 10 juli 2025 op 25 juli 2025 onherroepelijk is geworden, omdat daartegen geen hoger beroep is ingesteld. Volgens de rechter kan een inhoudelijke beoordeling van het eerdere vonnis niet opnieuw plaatsvinden binnen deze procedure.
Bij de beoordeling van de vordering van de Staat kwam de kantonrechter tot de conclusie dat Baitali misbruik maakt van haar executierecht. Daarbij speelde mee dat de Staat deels uitvoering heeft gegeven aan het eerdere vonnis en dat de door Baitali gestelde schade voornamelijk reputatieschade betreft.
De rechter weigerde beide vorderingen van Baitali en veroordeelde het bedrijf in de proceskosten. De verdere executie van het vonnis van 10 juli 2025 is geschorst totdat in een bodemprocedure definitief over het geschil is beslist.
Daarnaast is Baitali verboden het vonnis verder te executeren. Bij overtreding moet het bedrijf een dwangsom betalen van SRD 10.000 per dag, met een maximum van SRD 1 miljoen. Ook mag Baitali de voortzetting van het project niet verhinderen, eveneens op straffe van een dwangsom van SRD 10.000 per dag tot een maximum van SRD 1 miljoen. Verder moet Baitali een liquidatietarief van SRD 2.500 betalen.











