“Klopt het dat de boete kan oplopen tot minimaal USD 150.000 per week, vermeerderd met indirecte kosten, die het bedrijf moet maken om uit te wijken naar een andere haven, en met vertragingskosten van USD 50.000 per 24 uur?” vroeg DNA-lid Rabin Parmessar donderdag in het parlement tijdens de begrotingsbehandeling over het contract dat N.V. Havenbeheer gesloten heeft met Medserv International Limited over de oplevering van een havenfaciliteit.
Volgens Parmessar bevat dat contract strenge eisen met betrekking tot het tijdig en volwaardig aanbieden van havenfaciliteiten, waaronder een steiger met een capaciteit van 20 ton per vierkante meter. Daarbij zouden stevige boetebedingen gelden bij late oplevering of wanprestatie. Hij eiste dat de regering opheldering geeft aan het parlement over deze overeenkomst.
“Klopt het dat de oplevering van het project uiterlijk op 21 december 2026 moet plaatsvinden? Heeft er een openbare aanbesteding plaatsgevonden? Is er een preferentieregeling voor onze lokale Surinaamse bedrijven, gezien onze specifieke omstandigheden? Heeft die aanbesteding geleid tot een rechtmatige en terechte gunning? Is het project op schema, of is er sprake van een significante achterstand in de realisatie? Indien het project niet op schema ligt: is boeteheffing dan onvermijdelijk, of bestaat zelfs het risico dat wanprestatie wordt ingeroepen? Wat zijn de contractuele consequenties indien wanprestatie wordt geëffectueerd?”, vroeg de fractieleider van de NDP.
Volgens informatie die hem heeft bereikt, heeft de internationale partij vermoedelijk al gedeeltelijk gekozen om uit te wijken naar Commewijne, Dordt N.V., en dat een internationaal bouwbedrijf reeds werkzaamheden ter hand heeft genomen in Commewijne. Als deze informatie juist is, is de kans aanwezig dat straks een forse schadeclaim volgt. “Wie zal hiervoor verantwoordelijk gesteld worden? Wat zullen de consequenties zijn voor degenen die hiervoor verantwoordelijk zijn? Is de regering daarop voorbereid?”
Parmessar benadrukte dat dit geen klein operationeel dossier is en dat het direct raakt aan de geloofwaardigheid van het land dat zich voorbereidt op de olie- en gasontwikkeling. “Als wij zeggen dat Suriname klaar moet zijn voor 2028, dan moeten onze havenfaciliteiten, aanbestedingen, contracten, planning en risicobeheersing op orde zijn.”








