Suriname wil dat de internationale erkenning van koolstofnegatieve en koolstofneutrale landen zich vertaalt in concrete voordelen, waaronder betere toegang tot klimaatfinanciering, technische ondersteuning en internationale partnerschappen. President Jennifer Simons heeft die boodschap donderdag tijdens het G-Zero Forum in New York naar voren gebracht.
Volgens Simons is het niet voldoende dat landen als Suriname, Bhutan, Madagaskar en Panama worden erkend vanwege hun bijdrage aan de bescherming van het mondiale klimaat. De natuurlijke rijkdommen die deze landen beschermen, moeten volgens haar ook bijdragen aan de ontwikkeling van hun eigen bevolking.
“Wij geloven dat de tijd is gekomen om over te gaan van erkenning naar actie”, benadrukte de president. De koolstofnegatieve of koolstofneutrale status van de G-Zero-landen zou volgens haar moeten leiden tot meer toegang tot financiering, technische ondersteuning, kennisuitwisseling en betekenisvolle internationale samenwerkingsverbanden.
Natuurlijke rijkdom als mondiaal belang
De G-Zero-alliantie bestaat uit Suriname, Bhutan, Madagaskar en Panama en werd in november 2024 tijdens de COP29-klimaatconferentie in Bakoe gelanceerd.
Simons omschreef de aangesloten landen als hoeders van ecosystemen en natuurlijke hulpbronnen waarvan het belang verder reikt dan de eigen landsgrenzen. Bossen, rivieren, biodiversiteit en andere natuurlijke hulpbronnen leveren volgens haar een belangrijke bijdrage aan de wereldwijde strijd tegen klimaatverandering.
Tegelijkertijd moeten die natuurlijke rijkdommen volgens de president ook worden ingezet om de ontwikkelingsambities van de bevolking mogelijk te maken. Zij stelde dat klimaatactie en economische ontwikkeling daarom niet los van elkaar kunnen worden gezien.
Olie-inkomsten voor duurzame sectoren
Suriname heeft zich voorgenomen ten minste 90 procent van zijn bosbedekking te behouden. Daarbij moet volgens Simons ook rekening worden gehouden met gemeenschappen die voor hun levensonderhoud rechtstreeks afhankelijk zijn van het bos en andere natuurlijke hulpbronnen.
Opvallend is dat Suriname tegelijkertijd aan de vooravond staat van grootschalige offshore-olieproductie. Volgens Simons wil de regering inkomsten uit de toekomstige olie- en gassector gebruiken om te investeren in duurzame sectoren en daarmee de economie verder te diversifiëren.
Het doel is volgens haar een economie op te bouwen die minder kwetsbaar en beter bestand is tegen toekomstige schokken. Daarnaast streeft Suriname naar een energietransitie die volgens de president “realistisch” moet zijn en moet aansluiten bij de nationale omstandigheden.
Van erkenning naar concrete samenwerking
Simons stelde dat de vier G-Zero-landen, ondanks verschillen in hun nationale omstandigheden, een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor de bescherming van belangrijke ecosystemen.
Suriname wil daarom dat het samenwerkingsverband zich verder ontwikkelt tot een praktisch platform waar landen gezamenlijk kunnen werken aan duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen, klimaatfinanciering, kennisuitwisseling en economische ontwikkeling.
Daarmee moet de G-Zero-alliantie volgens de Surinaamse regering verder gaan dan alleen internationale erkenning van landen die netto weinig of geen broeikasgassen uitstoten en uiteindelijk tastbare voordelen opleveren voor de aangesloten landen en hun bevolking.








