De regering wil scherper toezicht houden op de inzet van uitzendbureaus in de olie- en gassector. Volgens minister André Misiekaba van Volksgezondheid, Welzijn en Arbeid moet worden voorkomen dat uitzendkrachten structureel worden ingezet voor functies die eigenlijk een vast karakter hebben.
Dat blijkt uit de begrotingsbeantwoording van de minister in De Nationale Assemblee (DNA). Misiekaba zegt dat de zorgen over de groeiende inzet van uitzendbureaus in de olie- en gassector “begrijpelijk en zorgvuldig genoteerd” zijn. De regering erkent volgens hem dat de ontwikkeling van deze sector ook moet leiden tot duurzame werkgelegenheid voor Surinamers. “Het is belangrijk dat Surinaamse arbeidskrachten niet alleen toegang krijgen tot werkgelegenheid, maar ook kunnen rekenen op goede arbeidsvoorwaarden, rechtsbescherming en een eerlijke beloning”, stelde de minister.
Volgens Misiekaba wordt momenteel nagegaan of de Wet Ter Beschikking Stellen Arbeidskrachten door Intermediairs moet worden aangescherpt. Het doel daarvan is te voorkomen dat uitzendkrachten langdurig of permanent worden ingezet op plekken waar eigenlijk vaste arbeidsrelaties nodig zijn. “Het uitgangspunt daarbij is dat tijdelijke arbeidsconstructies niet mogen worden gebruikt om vaste arbeidsrelaties te vervangen”, aldus de bewindsman.
De minister wees er ook op dat de huidige regeling rond de beloning van uitzendkrachten opnieuw op de agenda komt. Op dit moment bedraagt de beloning voor uitzendkrachten ten minste 75 procent van het loon en de arbeidsvoorwaarden van vaste werknemers binnen het bedrijf dat hen inhuurt. Volgens Misiekaba is deze regeling moeilijk te verenigen met de Grondwet en de internationale arbeidsnormen waaraan Suriname zich heeft verbonden. “Voorkomen moet worden dat uitzendkrachten structureel worden ingezet als goedkope arbeidskrachten”, zei hij. Volgens de minister moet het uitgangspunt zijn dat uitzendarbeid alleen wordt gebruikt voor tijdelijke en flexibele personeelsbehoeften en niet om vaste banen te vervangen of loonkosten te drukken.
Misiekaba verwees daarbij naar het grondwettelijk principe van gelijk loon voor gelijke arbeid. Ook noemde hij internationale arbeidsverdragen, waaronder ILO-Conventie 100 over gelijke beloning en ILO-Conventie 111 over discriminatie in arbeid en beroep.
Uit de gegevens die de minister aanhaalde, blijkt dat momenteel 14 uitzendbureaus beschikken over een geldige uitzendvergunning. Volgens hem onderzoeken deze bureaus vrijwel allemaal welke kansen de olie- en gassector biedt. Zij oriënteren zich op de groeiende vraag naar personeel en gespecialiseerde arbeidskrachten.
Tegelijkertijd maakte de minister duidelijk dat bedrijven niet zomaar kunnen worden verplicht om Surinaamse arbeidskrachten rechtstreeks in dienst te nemen. “Bedrijven kunnen niet worden verplicht Surinaamse arbeidskrachten rechtstreeks in dienst te nemen”, aldus Misiekaba. Volgens hem zou zo’n verplichting mogelijk botsen met de vrijheid van ondernemerschap en contractsvrijheid.
Wel wil de regering via strengere handhaving voorkomen dat bestaande wetgeving wordt omzeild. Als uitzendconstructies worden gebruikt om rechtstreekse tewerkstelling te vermijden, kan de wetgever volgens de minister nadere regels stellen.
Ook bij de inzet van buitenlandse arbeidskrachten wil de regering strenger toezien. Werkvergunningen moeten volgens Misiekaba alleen worden verleend voor functies waarvoor aantoonbaar geen geschikt lokaal arbeidsaanbod beschikbaar is. Werkgevers zullen daarom moeten aantonen dat zij eerst voldoende inspanningen hebben verricht om lokaal personeel te werven. Met deze maatregelen wil de regering voorkomen dat Surinamers langs de zijlijn blijven staan bij de groei van de olie- en gassector. De inzet van de minister is dat de nieuwe economische kansen niet alleen leiden tot investeringen, maar ook tot eerlijke, beschermde en duurzame werkgelegenheid voor lokale arbeidskrachten.








