De Vereniging van Economisten in Suriname (VES) plaatst vraagtekens bij de wijze waarop de regering het begrotingstekort voor 2026 presenteert. Volgens de VES bedraagt het tekort niet 5,1 procent van het bruto binnenlands product (bbp), zoals de regering beweert, maar 7,7 procent. In geld uitgedrukt zou het tekort daarmee uitkomen op ongeveer SRD 19,8 miljard.
In de nota van wijziging op de ontwerpwet-staatsbegroting 2026 zijn de totale uitgaven geraamd op SRD 77,4 miljard en de totale ontvangsten op SRD 64,6 miljard. Op basis daarvan komt de regering uit op een tekort van ongeveer SRD 12,8 miljard, oftewel 5,1 procent van het BBP. Het bbp is daarbij gesteld op SRD 252,2 miljard.
De VES stelt echter dat in de ontvangsten ook SRD 7 miljard aan leningen is meegerekend. Dat is volgens de economenvereniging begrotingstechnisch onjuist. “Leningen kunnen niet gezien worden als ontvangsten”, schrijft de VES in haar maandblad Inzicht.
Volgens de VES bestaan de werkelijke ontvangsten uit SRD 42,5 miljard aan directe en indirecte belastingen en SRD 15 miljard aan niet-belastingmiddelen. Daarmee komen de reguliere ontvangsten uit op SRD 57,6 miljard. Als de SRD 7 miljard aan leningen buiten beschouwing wordt gelaten, stijgt het tekort volgens de VES van SRD 12,8 miljard naar SRD 19,8 miljard. “Dit betekent dat het begrotingstekort 7,7 procent bedraagt van het BBP, en niet 5,1 procent zoals door de regering is aangegeven”, aldus de VES. De organisatie stelt dat de regering hiermee een beeld schetst “dat niet klopt”.
De VES benadrukt dat leningen geen inkomsten zijn, maar financieringsmiddelen. Ze verhogen volgens de organisatie juist de toekomstige schuldverplichtingen van de overheid. Wanneer leningen toch als ontvangsten worden gepresenteerd, ontstaat volgens de VES een vertekend beeld van de werkelijke begrotingspositie. “Voor een zuivere beoordeling van de overheidsfinanciën dient onderscheid gemaakt te worden tussen reguliere inkomsten en financieringsmiddelen”, stelt de VES. Dat onderscheid is volgens de organisatie noodzakelijk voor transparantie en voor een juiste beoordeling van de structurele draagkracht van de overheidsfinanciën.
De economenvereniging vraagt ook om meer duidelijkheid van het ministerie van Financiën en Planning over de forse bijstelling van het BBP. Volgens de VES werd het bbp in september 2025 nog geraamd op SRD 180 miljard, terwijl in de Nota van Wijziging wordt uitgegaan van SRD 252,2 miljard. “Is dit wel waar? Hopelijk kan het Ministerie van Financiën en Planning dit cijfermatig uitleggen aan de samenleving”, schrijft de VES.
Naast het tekort wijst de VES ook op de aflossingsdruk voor de komende jaren. Voor 2026 zijn de aflossingen begroot op SRD 9,4 miljard. De organisatie vindt het daarom belangrijk dat naast de begrotingscijfers ook een actuele schuldhoudbaarheidsanalyse openbaar wordt gemaakt. Zonder die informatie is volgens de VES geen volledige beoordeling van de begroting mogelijk.
Verder noemt de VES het opvallend dat de meerjarenprojecties een begrotingsoverschot in 2029 laten zien, maar een jaar later, in 2030, omslaan naar een tekort van SRD 9,9 miljard. Dat verschil van bijna SRD 20 miljard hangt volgens de VES mede samen met hogere aflossingen in 2030, waaronder verplichtingen die voortvloeien uit de schuldherschikking van november 2025.
De organisatie waarschuwt dat Suriname, in aanloop naar de eerste olieproductie, voorzichtig moet zijn met het vooruitlopen op toekomstige olie-inkomsten. Volgens de VES tonen internationale ervaringen aan dat landen die hun uitgaven al vóór de ontvangst van grondstoffeninkomsten fors verhogen, later vaak met begrotingsproblemen worden geconfronteerd als de opbrengsten lager uitvallen dan verwacht.
De VES pleit daarom voor begrotingsdiscipline, meer transparantie, een solide spaar- en investeringsstrategie en institutionele bescherming tegen politieke begrotingscycli.









