Het Caribisch Hof van Justitie, de Caribbean Court of Justice (CCJ), heeft maandag 25 mei 2026 in zijn Original Jurisdiction geoordeeld dat Suriname het recht op vrij verkeer van een CARICOM-burger heeft geschonden. De zaak was aangespannen door de Trinidadiaanse politieke consultant Derek Anand Ramsamooj tegen de Staat Suriname en de Caribische Gemeenschap.
Volgens het Hof heeft Suriname Ramsamooj tijdens zijn voorarrest onder zogenoemde beperkingsmaatregelen, op basis van artikel 40 lid 2 van het Surinaamse Wetboek van Strafvordering, ten onrechte directe toegang tot een advocaat ontzegd. Het CCJ kende hem een schadevergoeding toe van USD 30.000.
Ramsamooj reisde sinds 2014 regelmatig naar Suriname voor consultancywerkzaamheden. Op 6 oktober 2020 nam de politie zijn paspoorten in beslag. Een dag later werd hij aangehouden in verband met een onderzoek naar vermeende fraude binnen de vorige Surinaamse regering, waarvoor hij werkzaamheden zou hebben verricht.
Tijdens zijn detentie werd hij volgens het Hof onder twee opeenvolgende beperkingsbevelen van acht dagen vastgehouden zonder directe toegang tot een advocaat. Hij werd in het Nederlands verhoord met behulp van een tolk en ondertekende een Nederlandstalige verklaring die later in de strafzaak als bekentenis werd gebruikt. Ramsamooj bleef tot 22 december 2020 in voorarrest en werd toen vrijgelaten vanwege zijn verslechterende gezondheid. Zijn paspoorten kreeg hij pas in september 2022 terug.
Vrij verkeer moet gepaard gaan met minimale mensenrechtennormen
Ramsamooj stelde bij het CCJ dat zijn detentie zonder toegang tot juridische bijstand in strijd was met de rechten van CARICOM-burgers op vrij verkeer en het verrichten van diensten binnen de regio, zoals vastgelegd in het Revised Treaty of Chaguaramas.
Suriname voerde aan dat het Hof niet bevoegd was om te oordelen over vermeende mensenrechtenschendingen. Ook stelde Suriname dat het Charter of Civil Society for the Caribbean Community niet bindend is en dat de beperkingen gerechtvaardigd waren ter bescherming van de openbare orde, veiligheid en goede zeden.
Het CCJ oordeelde echter dat verdragsrechten van CARICOM-burgers, waaronder vrij verkeer en het recht om diensten te verlenen, moeten worden uitgeoefend binnen een kader van minimale mensenrechtennormen. Zonder die basis zouden deze rechten volgens het Hof hun werking verliezen.
Het recht van een verdachte op toegang tot een advocaat naar eigen keuze werd door het Hof aangemerkt als zo’n minimale norm. Daarbij wees het CCJ erop dat dit recht is verankerd in de grondwetten van alle CARICOM-lidstaten. Het Hof stelde verder dat het Charter, hoewel niet bindend, wel kan worden gebruikt bij de uitleg van het verdrag en bij het vaststellen van algemene beginselen van Gemeenschapsrecht.
Beperking zonder voldoende waarborgen
Het Hof stelde vast dat de beperkingsmaatregelen in het geval van Ramsamooj hem op drie cruciale momenten de toegang tot een advocaat hebben ontnomen: tijdens het politieverhoor, bij een mogelijke betwisting van het beperkingsbevel zelf en bij een mogelijke aanvechting van de rechtmatigheid of voortzetting van zijn detentie.
Volgens het CCJ voldoet artikel 40 van het Surinaamse Wetboek van Strafvordering, voor zover het toegang tot een advocaat in de onderzoeksfase zonder voldoende waarborgen kan uitsluiten, niet aan de minimale mensenrechtenstandaard die binnen het Gemeenschapsrecht vereist is. Daardoor werd het vrije verkeer van Ramsamooj onrechtmatig belemmerd.
Het Hof oordeelde ook dat Ramsamooj niet hoefde aan te tonen dat hij op basis van zijn nationaliteit was gediscrimineerd. Suriname kon zich evenmin beroepen op uitzonderingsbepalingen in het Revised Treaty of Chaguaramas om een nationale wettelijke regeling te rechtvaardigen die onder de minimale standaard van Gemeenschapsrecht valt.
Schadevergoeding voor gezondheidsschade
Het CCJ wees een vergoeding voor medische kosten af, omdat daarvoor onvoldoende bewijs was geleverd. Ook deed het Hof geen verklaring over het recht om diensten te verrichten, omdat het op dat punt eveneens onvoldoende grond zag.
Wel nam het Hof onbetwiste deskundigenverklaringen mee waaruit bleek dat Ramsamooj tijdens zijn detentie een hartincident, een beroerte en een ernstige verslechtering van zijn kransslagaderaandoening had doorgemaakt. Volgens het Hof hebben de detentieomstandigheden daar zeker aan bijgedragen.
Daarom kende het CCJ hem USD 30.000 toe aan immateriële schadevergoeding. Ook verklaarde het Hof dat elke bekentenis of verklaring die tijdens de onrechtmatige detentie is verkregen en in een strafzaak tegen Ramsamooj wordt gebruikt, op zichzelf een schending van Gemeenschapsrecht zou vormen.
Suriname mag volgens het Hof wel doorgaan met strafrechtelijke procedures tegen Ramsamooj, maar alleen op basis van bewijs dat onafhankelijk van de onrechtmatige detentie is verkregen. De proceskosten werden eveneens toegewezen aan Ramsamooj.











