Het algemeen minimumuurloon in Suriname is met ingang van 1 juli 2026 vastgesteld op SRD 61,25 bruto per uur. De verhoging geldt voor werknemers in alle sectoren en bedraagt SRD 8,78 per uur, oftewel bijna 17 procent.
Het vorige minimumuurloon bedroeg SRD 52,47. Dat tarief was sinds 1 april 2025 van kracht. Bij die aanpassing werd het uurloon verhoogd van SRD 49,12 naar SRD 52,47, een stijging van SRD 3,35 of ongeveer 6,8 procent.
De regeringsraad heeft het nieuwe bedrag van SRD 61,25 vastgesteld op basis van het advies van de Nationale Loonraad. De beschikking van 3 juli 2026, met nummer 777/26, is inmiddels gepubliceerd in het Advertentieblad van de Republiek Suriname. Daarmee is het nieuwe minimumuurloon officieel in werking getreden.
Werkgevers mogen hun werknemers vanaf 1 juli niet minder dan SRD 61,25 bruto per gewerkt uur betalen. Zij blijven vrij om met werknemers een hoger uurloon overeen te komen.
Bedrijfsleven wees vooraf op draagkracht ondernemingen
Een afzonderlijke openbare reactie van werkgeversorganisaties op het definitief vastgestelde bedrag is vooralsnog niet bekend. De Vereniging Surinaams Bedrijfsleven (VSB) had voorafgaand aan de besluitvorming wel aandacht gevraagd voor de gevolgen van een verhoging voor bedrijven en de arbeidsmarkt.
Volgens de VSB moest de vaststelling van het minimumuurloon niet uitsluitend worden gebaseerd op de nationale armoedegrens. Ook de loonstructuren binnen ondernemingen, sectorale verschillen, de financiële draagkracht van bedrijven en mogelijke gevolgen voor de werkgelegenheid en het investeringsklimaat moesten worden meegenomen.
De werkgeversorganisatie hield daarom in februari een enquête onder bedrijven om praktijkgegevens te verzamelen voor haar inbreng in de Nationale Loonraad. De VSB stelde dat een nieuw minimumuurloon sociaal evenwichtig, maar ook economisch verantwoord en uitvoerbaar voor ondernemingen moest zijn.
De organisatie heeft daarmee niet rechtstreeks bezwaar gemaakt tegen het uiteindelijke bedrag van SRD 61,25. Haar eerdere standpunt laat wel zien dat vooral kleine en minder draagkrachtige ondernemingen mogelijk rekening moeten houden met hogere loonkosten als gevolg van de verhoging.







