President Jennifer Simons vindt dat de bosbedekking van Suriname van ongeveer 93 procent niet volledig behouden kan blijven wanneer mijnbouwprojecten worden uitgevoerd. De regering blijft streven naar minimaal 90 procent bos en wil inkomsten uit carbon credits inzetten voor natuur en binnenland.
President Jennifer Simons heeft maandag tijdens een regeringspersconferentie verklaard dat een bosbedekking van 93 procent volgens haar niet blijvend haalbaar is. Door geplande en bestaande mijnbouwactiviteiten zal een deel van het bos verdwijnen. De regering houdt daarom vast aan het doel om de bosbedekking van Suriname op minimaal 90 procent te behouden.
Simons zei dat zij dit uitgangspunt eerder op verschillende internationale podia heeft uitgedragen. Suriname wil zijn positie als een van de meest bosrijke landen ter wereld beschermen, maar moet volgens het staatshoofd ook ruimte bieden aan economische ontwikkeling. Vooral mijnbouwprojecten kunnen leiden tot ontbossing, aanleg van wegen en andere ingrepen in het binnenland.
De president maakte bekend dat een bedrijf binnenkort in het zuiden van Suriname met mijnbouwactiviteiten zal beginnen. Zij noemde tijdens haar toelichting geen naam, exacte locatie of startdatum. Wel erkende zij dat ook bij dit project bos zal worden verwijderd. Over de omvang van de verwachte ontbossing werden geen cijfers bekendgemaakt.
Bosbedekking van Suriname onder druk door mijnbouw
De officiële klimaatdocumenten gaan uit van een bosbedekking van Suriname van ongeveer 93 procent. In de derde nationale klimaatbijdrage van Suriname bij de Verenigde Naties staat dat mijnbouw, landbouw en grote ontwikkelingsprojecten de druk op het bos verder kunnen verhogen.
Vooral goudwinning wordt genoemd als een belangrijke oorzaak van ontbossing en bosdegradatie. Het document waarschuwt bovendien dat de ontbossing zonder aanvullende maatregelen na 2028 sterk kan toenemen, mede door geplande grootschalige projecten. Daarmee kan ook de koolstofnegatieve positie van Suriname onder druk komen te staan.
Regering wil grenzen stellen aan ontbossing
Tegen deze achtergrond wil de regering het verschil tussen de huidige 93 procent en het streefdoel van 90 procent zorgvuldig beheren. Dat betekent dat niet iedere vorm van ontbossing automatisch wordt uitgesloten, maar dat keuzes over mijnbouwconcessies moeten worden afgewogen tegen klimaatverplichtingen, waterkwaliteit, biodiversiteit en de belangen van gemeenschappen die van het bos afhankelijk zijn.
De regering zal daarbij duidelijk moeten maken hoeveel bos voor afzonderlijke projecten mag verdwijnen en welke gebieden niet voor economische activiteiten worden opengesteld. Zonder duidelijke grenzen kan de bescherming van de bosbedekking van Suriname steeds verder onder druk komen te staan door nieuwe concessies en infrastructuurprojecten.
Overleg met lokale gemeenschappen beloofd
Simons benadrukte dat de regering vooraf overleg wil voeren met lokale gemeenschappen voordat nieuwe mijnbouwconcessies in het binnenland worden uitgegeven. Voor inheemse en tribale volken is dit van groot belang, omdat mijnbouw gevolgen kan hebben voor woongebieden, landbouwgronden, jacht, visserij, drinkwater en cultureel belangrijke plekken.
De president gaf niet aan hoe dit overleg juridisch zal worden ingericht en op welke manier de uitkomsten worden meegewogen bij de definitieve besluitvorming. Ook is nog niet duidelijk welke milieuonderzoeken voor het aangekondigde project in het zuiden zijn uitgevoerd. Openheid over vergunningen, milieueffecten en afspraken met dorpen zal daarom belangrijk zijn om het vertrouwen te behouden.
Carbon credits moeten bosbescherming financieren
Economische ontwikkeling mag de waarde van het Surinaamse bos niet uit het oog verliezen.
De regering ziet de verkoop van carbon credits als een mogelijke inkomstenbron voor bosbescherming en ontwikkeling in het binnenland. Carbon credits vertegenwoordigen onder bepaalde voorwaarden een aantoonbare vermindering of opname van broeikasgassen. Landen en bedrijven kunnen deze eenheden kopen om klimaatdoelen te ondersteunen of een deel van hun uitstoot te compenseren.
Minister Patrick Brunings van Olie, Gas en Milieu zei onlangs dat gesprekken zijn gevoerd met Duitse bedrijven die belangstelling hebben voor Surinaamse carbon credits. Volgens hem worden de Surinaamse eenheden als hoogwaardig beschouwd. De onderhandelingen over prijzen en voorwaarden lopen echter nog, waardoor nog geen definitieve opbrengst of betaaldatum kan worden genoemd.
Opbrengsten vooral voor het binnenland
Brunings stelde dat een groot deel van de toekomstige inkomsten moet worden gebruikt voor inheemse en tribale gemeenschappen. Het ministerie heeft daarover gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van deze groepen. De middelen zouden onder meer naar sociale projecten, gemeenschapsontwikkeling en bescherming van het bos moeten gaan.
De bedrijven die carbon credits willen aanschaffen, zouden volgens de minister zekerheid willen dat het geld doelgericht en controleerbaar wordt besteed. Dat vraagt om duidelijke regels over verdeling, toezicht en verantwoording. Bewoners van het binnenland zullen daarbij willen weten hoeveel geld binnenkomt, wie de projecten kiest en hoe gemeenschappen inspraak krijgen in de besteding.
Verduurzaming van de goudwinning
Een ander doel is het beperken van de schade door goudwinning. In verschillende delen van het binnenland zorgen mijnbouwactiviteiten voor ontbossing, aantasting van kreken en vervuiling van het milieu. Brunings wil inkomsten uit carbon credits inzetten om de sector beter te reguleren en duurzamere winningsmethoden te stimuleren.
Daarbij is niet alleen controle op concessiehouders nodig. Ook de ordening van kleinschalige en informele goudwinning speelt een rol. De regering verkent daarnaast de oprichting van een Suriname Gold Authority, die moet bijdragen aan betere registratie, toezicht en organisatie binnen de goudsector.
Balans tussen inkomsten en natuurbehoud
Een samenhangend beleid moet voorkomen dat inkomsten uit bosbehoud vooral worden gebruikt om schade te herstellen die door gebrekkige handhaving blijft ontstaan. Wanneer vervuilende activiteiten blijven doorgaan, kunnen de ecologische en maatschappelijke kosten uiteindelijk hoger uitvallen dan de inkomsten uit mijnbouw en carbon credits.
De uitspraken van Simons maken duidelijk dat de regering voor de bosbedekking van Suriname kiest voor een doel van minimaal 90 procent, in plaats van het volledig vasthouden aan de huidige 93 procent. Daarmee ontstaat ruimte voor mijnbouw en andere economische activiteiten, maar ook een grotere verantwoordelijkheid om grenzen vast te leggen en kwetsbare gebieden te beschermen.
Internationale klimaatpositie staat op het spel
Suriname heeft internationaal juist een sterke positie doordat het meer koolstof opneemt dan het uitstoot. Die positie kan economische waarde krijgen via klimaatfinanciering, maar alleen wanneer de kwaliteit van de carbon credits betrouwbaar wordt aangetoond en ontbossing elders niet ongecontroleerd toeneemt.
De regering zal daarom moeten laten zien hoe mijnbouwplannen passen binnen het nationale klimaatbeleid. Ook zal duidelijk moeten worden of toekomstige ontbossing wordt meegerekend bij de bepaling van de hoeveelheid carbon credits die Suriname internationaal kan verkopen.
Transparantie wordt doorslaggevend
Eerder schreef Key News over de inzet van president Simons voor eerlijkere klimaatfinanciering. Daarbij werd eveneens benadrukt dat bosrijke landen structureel moeten worden gecompenseerd voor de wereldwijde klimaatdiensten die hun natuur levert.
Voor de samenleving blijft vooral van belang welke delen van het bos voor ontwikkeling worden vrijgegeven en welke gebieden permanent beschermd blijven. De toekomst van de bosbedekking van Suriname hangt daardoor niet alleen af van internationale beloften, maar ook van nationale vergunningen en handhaving.
Ook de afspraken met lokale gemeenschappen, de identiteit van investeerders en de verdeling van inkomsten uit carbon credits zullen openbaar en controleerbaar moeten zijn. Die informatie bepaalt uiteindelijk of de aangekondigde balans tussen mijnbouw, bosbehoud en ontwikkeling van het binnenland in de praktijk standhoudt.
Heldere rapportage per project kan burgers en gemeenschappen bovendien in staat stellen om de gevolgen, opbrengsten en gemaakte afspraken zelfstandig te beoordelen. Daarmee kan ook worden voorkomen dat economische besluiten worden genomen zonder voldoende inzicht in de gevolgen voor natuur, water en bewoners van het binnenland.









